Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag inzake de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres te Den Haag. De waarde was vastgesteld op €850.000 en verlaagd naar €825.000 na bezwaar. Tijdens de zitting op 1 februari 2024 bevestigde belanghebbende dat enkel de vraag of de heffingsambtenaar zijn verplichtingen had nageleefd en of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur was geschonden, in geschil was.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen belang had bij de beoordeling van deze gronden omdat de WOZ-waarde zelf niet betwist werd en een eventuele proceskostenvergoeding onvoldoende belang oplevert. Desondanks werd belanghebbende ontvankelijk verklaard omdat het beroep hem in theorie in een betere positie zou kunnen brengen. Gezien de gronden van belanghebbende was dit in dit geval echter niet zo.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E. Kiers op 23 februari 2024. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.