Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de minister van Defensie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
6 maart 2024.
Rechtbank Den Haag
Eiser verzocht om inzage in gegevens die de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) over hem bezit. Verweerder weigerde aanvankelijk inzage, maar gaf na bezwaar gedeeltelijk inzage in niet-actuele gegevens, met uitzondering van persoonsgegevens van derden en informatie over de werkwijze van de MIVD.
Eiser stelde dat er meer niet-actuele gegevens over hem bij de MIVD berusten, onder meer vanwege frequente gegevensopvragingen door de Koninklijke Marechaussee en een vermeende discrepantie tussen verklaringen van de AIVD en MIVD. De rechtbank onderzocht deze stellingen en concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer gegevens zijn dan reeds verstrekt.
De rechtbank oordeelde dat de gegevensopvragingen door de KMar niet direct verband houden met de MIVD en dat de discrepantie tussen AIVD en MIVD verklaard kan worden door bewaartermijnen. Ook achtte de rechtbank de nadere zoekslag van verweerder in bezwaar voldoende grondig. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de minister van Defensie tot inzage in niet-actuele gegevens bij de MIVD is ongegrond verklaard.