Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende vreemdeling, stelde dat hij voorafgaand aan zijn formele staandehouding reeds in zijn vrijheid was beperkt zonder wettelijke grondslag, waardoor de staandehouding onrechtmatig was. De rechtbank stelde vast dat eiser door medewerkers van de AVIM werd meegenomen naar een ruimte, wat al een beperking van zijn bewegingsvrijheid inhield en daarmee een staandehouding vormde. Deze handeling was onvoldoende vastgelegd in het proces-verbaal, waardoor de staandehouding onrechtmatig was.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat deze onrechtmatigheid niet automatisch leidde tot onrechtmatigheid van de daaropvolgende maatregel van bewaring. Een belangenafweging wees uit dat het korte karakter van de onrechtmatige vrijheidsbeneming en het significante risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, de bewaring rechtvaardigden. Eiser had geen aannemelijk gemaakt dat een lichter middel effectief zou zijn geweest, mede omdat hij ondanks de mogelijkheid vrijwillig naar Duitsland te reizen, geen initiatief had genomen.
De rechtbank wees het beroep van eiser af en wees het verzoek om schadevergoeding af. Wel werd verweerder veroordeeld in de proceskosten vanwege het geconstateerde gebrek in het voortraject. De uitspraak benadrukt het belang van correcte verslaglegging bij staandehoudingen en de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging bij vrijheidsbeperkende maatregelen.