ECLI:NL:RBDHA:2024:3129
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beëindiging EU-verblijfsrecht en verwijderingsmaatregel
Eiser, een Poolse staatsburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf volgens het Unierecht. Hij verbleef langer dan drie maanden in Nederland, was werkloos, niet werkzoekend, studeerde niet en had geen aantoonbare middelen van bestaan.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging onzorgvuldig was, dat de verwijderingsmaatregel in strijd was met het lex certa-beginsel en dat verweerder geen belangenafweging had gemaakt bij het opleggen van de vertrektermijn van één maand. De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van het ontbreken van rechtmatig verblijf een declaratoir karakter heeft en dat verweerder geen informatieplicht heeft over het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf in Nederland.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder zijn zwakke band met Nederland en overlast die hij veroorzaakte. De belangenafweging viel in het nadeel van eiser uit. Ook werd geoordeeld dat bij het opleggen van de vertrektermijn geen expliciete belangenafweging vereist is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 26 januari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het EU-verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.