ECLI:NL:RBDHA:2024:3143

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
NL23.29572 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 7:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 20 lid 3 Dublinverordening
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen ongegrondverklaring asielaanvraag wegens Dublinverwijzing naar Kroatië

Opposant heeft asiel aangevraagd in Nederland, maar de Staatssecretaris heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant tegen dit besluit ongegrond, omdat niet aannemelijk was dat Kroatië zijn internationale verplichtingen schendt.

Opposant stelde in verzet dat hij niet gehoord is op zitting en dat het claimverzoek te laat zou zijn ingediend bij Kroatië, mede op basis van recente jurisprudentie. Ook voerde hij aan dat individuele omstandigheden en divergerende jurisprudentie omtrent het vertrouwensbeginsel onvoldoende zijn meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat de Dublin-claim tijdig was ingediend en dat de aangevoerde individuele omstandigheden niet tot twijfel leiden over de rechtmatigheid van het besluit. Ook is het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht toegepast. De hoorplicht in bezwaar is niet van toepassing in deze procedure.

Daarom is het verzet ongegrond verklaard en blijft de bestreden uitspraak in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de ongegrondverklaring van de asielaanvraag wegens Dublinverwijzing naar Kroatië is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29572 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer).

Inleiding

1. Opposant heeft op 10 juni 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
1.1
Bij besluit van 18 september 2023 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) de asielaanvraag van opposant niet in behandeling genomen, omdat Kroatië voor de behandeling daarvan verantwoordelijk is.
1.2
Opposant heeft beroep (NL23.29572) ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3
Bij uitspraak van 30 november 2023 (bestreden uitspraak) heeft de rechtbank dat beroep - met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - ongegrond verklaard.
1.4
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet (NL23.29572 V) ingesteld.
1.5
De rechtbank heeft het verzet op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Opposant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Opposant stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1991 en de Turkse nationaliteit te hebben. Met de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb ongegrond verklaard. Redengevend voor dat oordeel is dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Niet gebleken is namelijk dat de Kroatische autoriteiten hun internationale verplichtingen jegens Dublinclaimanten niet nakomen of dat anderszins sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of het asielopvangsysteem in Kroatië.
Wat voert opposant aan in verzet?
3. Opposant heeft in verzet aangevoerd dat hem de mogelijkheid is ontzegd om zijn standpunt in beroep nader aan te vullen op een zitting. Opposant heeft in zijn inleidende beroepschrift van 18 september 2023 expliciet gevraagd om een zitting. In afwachting van deze zittingsdatum heeft opposant niet de mogelijkheid gehad om zijn standpunt met recente jurisprudentie aan te vullen. Opposant verwijst in dat kader naar een uitspraak [1] van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin is bepaald dat de claimtermijn zoals bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, start met de afgifte van de loopbrief. Gelet op deze uitspraak stelt opposant dat verweerder het claimverzoek te laat heeft ingediend bij de Kroatische autoriteiten, nu uit artikel 23, tweede lid van de Dublinverordening (afgekort: Dvo) volgt dat dit binnen twee maanden dient te gebeuren. Ook stelt opposant dat hij gehoord had moeten worden op zitting, omdat er divergerende jurisprudentie bestaat ten aanzien van de vraag of ten aanzien van Kroatië kan worden vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook zijn de individuele omstandigheden van opposant ten onrechte niet bij het oordeel betrokken. Tot slot wijst opposant op een uitspraak [2] van de Afdeling over de hoorplicht in vreemdelingenzaken, waarin het nut en doel van “horen” in zijn algemeenheid is uiteengezet.
Wat is het toetsingskader?
4. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van eiser buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Indien opposant met gegronde redenen kan onderbouwen dat de rechtbank deze zaak niet zonder zitting als ongegrond had mogen afdoen, kan het verzet gegrond verklaard worden. Aan de inhoudelijke bespreking van beroepsronden gericht tegen het bestreden besluit komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft opposant géén gelijk en overweegt daartoe als volgt.
5.1
Uit het claimverzoek van 1 augustus 2023 blijkt dat deze Dublin-claim bij de Kroatische autoriteiten is neergelegd vanwege een Eurodac-treffer op 10 juni 2023. Op grond van de eerste volzin van artikel 23, tweede lid, van de Dvo wordt een dergelijke Dublin-claim binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de Eurodac-verordening ingediend. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze Dublin-claim vóór de uiterlijke indieningsdatum van 10 augustus 2023 verstuurd heeft en daarmee tijdig heeft ingediend. De verwijzing naar de uitspraak [3] van de Afdeling van 21 september 2023 maakt dit oordeel niet anders, alleen al omdat deze uitspraak ziet op de situatie wanneer het verzoek tot terugname gebaseerd is op ander bewijs dan gegevens uit Eurodac, zoals blijkt in de tweede volzin van artikel 23, tweede lid, van de Dvo. De aangevoerde verzetsgrond slaagt reeds daarom niet.
5.2
De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep op toepassing van artikel 17 van Pro Dvo in de verzetsgronden niet slaagt. De stelling in verzet dat opposant in Kroatië vingerafdrukken heeft moeten achterlaten, dat hij voor één nacht is vastgezet en dat hij daarna verzocht is om het land te verlaten maakt niet dat de rechtbank het beroep van opposant niet buiten redelijke twijfel ongegrond konden verklaren. Dit zijn namelijk geen dusdanig bijzondere, individuele omstandigheden dat twijfel bestond over de vraag of verweerder alleen al om die redenen de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich had moeten trekken.
5.3
Het betoog op divergerende jurisprudentie omtrent het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin, nu uit rechtspraak [4] van de Afdeling ondubbelzinnig volgt dat de huidige situatie in Kroatië geen aanleiding geeft om niet langer vast te houden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarmee geen reden bestaat om voor Dublinclaimanten toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dvo. Opposant heeft niet met aanvullende argumenten of recente stukken aannemelijk gemaakt dat van dit oordeel van de Afdeling niet meer kan worden uitgegaan. Reeds daarom kan deze verzetsgrond niet slagen.
5.4
De verwijzing van opposant naar de uitspraak van de hoogste Nederlandse vreemdelingenrechter over de hoorplicht in vreemdelingenzaken maakt tot slot ook niet dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Deze uitspraak van de Afdeling ziet namelijk op de hoorplicht in bezwaar, als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb, voor reguliere vreemdelingenzaken. De verzetsgronden slagen niet.
6. Gelet op hetgeen is aangevoerd in beroep en ook in de onderhavige verzetsprocedure heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat - met toepassing van het bepaalde in artikel 8:54 van Pro de Awb - het beroep van eiser buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting.

Conclusie en gevolgen

7. In hetgeen opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de bestreden uitspraak van 30 november 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
-
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3569.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3569.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.