Eiser, een Syrische nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 7 juli 2022 een asielaanvraag in die door verweerder op 31 oktober 2023 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder baseerde deze afwijzing op artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan een absoluut niet-politiek misdrijf: het hebben van seks met een minderjarige van 11 of 12 jaar met wie hij religieus getrouwd was.
Eiser betoogde dat hij slechts verloofd was en geen seks had gehad met het meisje, en dat hij onzorgvuldig en onvoldoende gehoord is. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht uitging van de oorspronkelijke verklaringen van eiser, die gedetailleerd en consistent waren, en dat eiser pas laat in de procedure zijn eerdere verklaringen introk zonder voldoende onderbouwing.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat artikel 1F van toepassing is en dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Het besluit tot signalering voor tien jaar werd eveneens als proportioneel en rechtmatig beoordeeld, waarbij verweerder een evenredigheidstoets had uitgevoerd en het belang van de Nederlandse samenleving zwaar woog.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de afwijzing van de asielaanvraag en het besluit tot signalering, en wees een vergoeding van proceskosten aan eiser af.