ECLI:NL:RBDHA:2024:3425
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom voor bezit inbrekerswerktuigen
Eiser is op 8 april 2022 samen met drie anderen staande gehouden door de politie op een bedrijventerrein. Bij fouillering werden diverse gereedschappen aangetroffen die als inbrekerswerktuigen werden aangemerkt. Verweerder legde daarop een last onder dwangsom op op grond van artikel 2:44 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Westland 2019 (Apv).
Eiser stelde in beroep dat de strafzaak wegens gebrek aan bewijs was geseponeerd en dat de gereedschappen niet zonder meer als inbrekerswerktuigen konden worden beschouwd. Tevens voerde hij aan dat de last onder dwangsom een punitief karakter had, wat zou leiden tot schending van het ne bis in idem-beginsel en de onschuldpresumptie.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitging van het proces-verbaal en dat de gereedschappen gelet op tijd, plaats en aard als inbrekerswerktuigen kunnen worden aangemerkt. De last onder dwangsom wordt gezien als een herstelsanctie om herhaling te voorkomen en niet als straf. Er is geen sprake van dubbele bestraffing of schending van het ne bis in idem-beginsel. Ook is de hoogte van de dwangsom proportioneel en subsidiariteit is in acht genomen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarmee het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens bezit van inbrekerswerktuigen wordt ongegrond verklaard.