Eiser heeft op 23 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden beslist, welke termijn met negen maanden was verlengd op grond van de WBV 2022/22. Nadat eiser verweerder op 28 november 2023 in gebreke had gesteld en er na twee weken nog steeds geen besluit was genomen, stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een beslistermijn van zestien weken op, waarbij verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 437,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bepaalt dat verweerder binnen de opgelegde termijn alsnog moet besluiten op de aanvraag.