ECLI:NL:RBDHA:2024:3528
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 28 januari 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en de zaak niet op zitting behandeld.
De rechtbank toetst het voortduren van de maatregel vanaf 6 februari 2024, het moment van het sluiten van het vorige onderzoek. Eiser stelt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend is in het uitzettingsproces, onder meer vanwege late verzending van documenten naar de Marokkaanse autoriteiten en het ontbreken van een concrete termijn voor uitzetting.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend handelt, ondanks dat verzending van stukken iets later plaatsvond dan wenselijk. De voortgangsrapportage toont aan dat stappen zijn gezet, waaronder verzending van documenten, communicatie met het Marokkaanse consulaat en het voeren van een vertrekgesprek met eiser. De rechtbank acht het niet noodzakelijk dat de staatssecretaris een concrete termijn voor uitzetting opgeeft, mede vanwege afhankelijkheid van buitenlandse autoriteiten.
De rechtbank ziet geen reden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.