ECLI:NL:RBDHA:2024:3530

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 maart 2024
Publicatiedatum
15 maart 2024
Zaaknummer
NL24.9945
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toewijzing tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 februari 2024 vastgesteld dat verzoeker, een Oekraïense vreemdeling, met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en heeft hem bevolen de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten. Dit terugkeerbesluit is genomen omdat de tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 volgens de staatssecretaris van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en wijst het toe zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.

De voorzieningenrechter benadrukt dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in het bodemgeding. Gezien de complexiteit van de rechtsvragen in het beroep is het niet passend om in deze procedure een definitief oordeel te geven over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. De vreemdeling dient daarom voorlopig te worden behandeld alsof hij nog onder de werking van Richtlijn 2011/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.

Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 875,-, omdat de gemachtigde van de vreemdeling een verzoekschrift heeft ingediend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat verzoeker zijn tijdelijke bescherming behoudt tijdens de beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9945

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2024 in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Inleiding

1. In het besluit van de staatssecretaris van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat hij de Europese Unie binnen vier weken ná 4 maart 2024 moet verlaten en dat hij moet terugkeren naar zijn land van herkomst. De staatssecretaris heeft dit terugkeerbesluit genomen omdat de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 volgens verweerder van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.
2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL24.7514. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.

Beoordeling van de voorzieningenrechter

3. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent deze procedure zich niet om een voorlopig oordeel te geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit gelet op de rechtsvragen die samenhangen met het beroep. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat de vreemdeling dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2011/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt de vreemdeling ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De staatssecretaris moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van de vreemdeling een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe in die zin dat de vreemdeling dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2011/55/EG valt totdat op het beroep is beslist;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van de proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.