De rechtbank Den Haag heeft op 15 januari 2024 uitspraak gedaan over het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 4 augustus 2023 is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was eerder door de rechtbank viermaal getoetst, waarbij telkens werd geoordeeld dat de bewaring rechtmatig was.
Eiser voerde aan dat het voortduren van de maatregel onzorgvuldig was, in strijd met het verbod van willekeur en dat er geen redelijke belangenafweging had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat eiser deze stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat uit de door de staatssecretaris overgelegde gegevens geen aanleiding bleek om de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring te betwijfelen.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en bepaalde dat de staatssecretaris de proceskosten van eiser niet hoeft te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.