AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Gambia
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beoordeeld, opgelegd op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder zijn al drie eerdere uitspraken gedaan over deze zaak, waarbij de maatregel steeds als rechtmatig werd beoordeeld.
Eiser stelde dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig en disproportioneel is, omdat er geen zicht zou zijn op uitzetting naar Gambia. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is vastgesteld dat in het algemeen wel sprake is van zicht op uitzetting naar Gambia, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
In dit specifieke geval zijn geen bijzondere omstandigheden vastgesteld. De Gambiaanse autoriteiten hebben medewerking toegezegd, en hoewel eiser niet verscheen bij een geplande presentatie, wordt van hem verwacht dat hij actief meewerkt aan zijn uitzetting. Het niet verschijnen wordt gezien als een belemmering van zijn terugkeer, waardoor het zicht op uitzetting aanwezig blijft.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, de maatregel van bewaring in stand blijft en dat er geen schadevergoeding aan eiser hoeft te worden toegekend. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37574
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2023 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 4 augustus 2023.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 21 augustus 2023 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 24 oktober 2023 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. [2] Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 14 november 2023. [3]
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 6 december 2023 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [4]
5. Uit de uitspraak van 14 november 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 7 november 2023) van de bewaring rechtmatig is.
Is het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig?
6. Eiser voert aan dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig en doelloos is, omdat het zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt. De bewaring is disproportioneel en onevenredig.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het voortduren van de maatregel rechtmatig. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht is op uitzetting naar Gambia. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 24 oktober 2023 onder 3.1 geoordeeld dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Gambia kan worden aangenomen en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 augustus 2023. [5] Daarin heeft de Afdeling vastgesteld dat sprake is van zicht op uitzetting omdat niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken of op andere wijze geen medewerking zullen verlenen aan gedwongen vertrek. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om daar nu anders over te oordelen. De rechtbank ziet in het specifieke geval van eiser bovendien geen bijzonderheden waardoor in zijn situatie het ontbreken van zicht op uitzetting kan worden aangenomen. De Gambiaanse autoriteiten hebben volgens de voortgangsrapportage van 30 november 2023 ingestemd met een presentatie van eiser op 2 november 2023, die niet is doorgegaan omdat eiser niet is verschenen. Uit de voortgangsrapportage volgt verder dat voor eiser een nieuwe presentatie gepland wordt. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Dat heeft eiser niet gedaan. Door op 2 november 2023 niet te verschijnen op zijn presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten, belemmert eiser zijn terugkeer. Het zicht op uitzetting is alleen al daarom in beginsel gegeven. [6] Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Omdat sprake is van zicht op uitzetting slaagt het betoog dat de bewaring om die reden disproportioneel en onevenredig is niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet langer wordt voldaan. [7]
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.Rb. Den Haag (zp. Rotterdam) 21 augustus 2023, zaaknummer: NL23.22395.
2.Rb. Den Haag (zp. Rotterdam) 24 oktober 2023, zaaknummer: NL23.29989.