Eiser heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend tegen de Staat, vertegenwoordigd door de Belastingdienst, vanwege onrechtmatige inhoudingen op basis van de Zorgverzekeringswet over de periode 2011-2016. De Staat heeft dit verzoek afgewezen, waarna eiser een civiele procedure is gestart om een bedrag van €8.000,- plus rente te vorderen.
De kantonrechter oordeelt dat eiser niet-ontvankelijk is omdat hij niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de met waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang die openstond voor het indienen van bezwaar tegen de belastingaanslagen. De vordering is gebaseerd op burgerlijk recht, maar de procedurele vereisten maken dat de civiele rechter niet bevoegd is om de zaak inhoudelijk te behandelen.
Daarnaast overweegt de kantonrechter dat zelfs bij ontvankelijkheid de vordering zou worden afgewezen, aangezien de Belastingdienst geen waarschuwingsplicht heeft en eiser geen onderbouwing van de schade heeft gegeven. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente daarop. Het vonnis is gewezen door kantonrechter O. van der Burg op 14 maart 2024.