De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het beëindigen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknummer AWB 24/1872) en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en geoordeeld dat het verzoek kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het oordeel voorlopig is en niet bindend is voor het bodemgeding. Gezien de complexiteit van de rechtsvragen in het beroep is het passend om verzoeker voorlopig als vreemdeling onder de Richtlijn te behandelen totdat het beroep is beslist.
Daarnaast is de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €875,-, vanwege het indienen van het verzoekschrift door de gemachtigde van verzoeker.