ECLI:NL:RBDHA:2024:3762
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening behoud tijdelijke bescherming vreemdeling Oekraïne
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit genomen waarbij is vastgesteld dat verzoeker vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het beëindigen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG per 4 maart 2024.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de bijbehorende voorzieningen behoudt. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en wijst het toe zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.
De voorzieningenrechter benadrukt dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de rechtbank in het bodemgeding. De procedure is niet geschikt om een definitief oordeel te geven over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Verzoeker wordt daarom behandeld als een vreemdeling die nog onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de staatssecretaris tot het betalen van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,- vanwege het indienen van het verzoekschrift. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoeker behoudt voorlopige tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG totdat op het beroep is beslist.