ECLI:NL:RBDHA:2024:377
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Kroatië
Eiser, met de Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat Kroatië zich schuldig zou maken aan pushbacks, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast zou mogen worden. Hij stelde dat het vertrouwensbeginsel niet deelbaar is en dat hij daardoor een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Kroatië zulke tekortkomingen vertoont dat het vertrouwensbeginsel niet toegepast kan worden. De rechtbank volgt daarmee de hoogste bestuursrechter die eerder oordeelde dat verweerder uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië.
Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 16 januari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.