ECLI:NL:RBDHA:2024:3793
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap wegens terroristische veroordeling
Verzoeker is onherroepelijk veroordeeld voor deelname aan een terroristische organisatie en voorbereiding van een terroristisch misdrijf, waarna de staatssecretaris het Nederlanderschap heeft ingetrokken en een terugkeerbesluit met inreisverbod heeft opgelegd.
Verzoeker vroeg de rechtbank om schorsing van de intrekking zodat hij zijn resocialisatie in Nederland kan voortzetten en beriep zich op positieve gedragsverandering en eerdere rechtspraak die voorlopige voorzieningen in soortgelijke zaken toekende.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het intrekken van het Nederlanderschap rechtmatig is op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die de intrekking in de bodemprocedure zouden kunnen doen falen.
De rechter weegt de belangen en concludeert dat het belang van de staat bij intrekking en nationale veiligheid zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap wordt afgewezen wegens rechtmatigheid en ontbreken bijzondere omstandigheden.