ECLI:NL:RBDHA:2025:25576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
SGR 24/8837 en AWB 24/1433
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van Nederlanderschap en terugkeerbesluit in het kader van terroristische misdrijven

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 11 december 2025, met zaaknummers SGR 24/8837 en AWB 24/1433, wordt het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn Nederlanderschap en het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod behandeld. Eiser, die een dubbele nationaliteit heeft en veroordeeld is voor deelname aan een terroristische organisatie, heeft zijn beroep ingesteld tegen de besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelt dat de intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd is met discriminatieverboden of het verbod op dubbele bestraffing. De rechtbank stelt vast dat de intrekking van het Nederlanderschap in dit geval niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel of artikel 68a van het BvvN. Artikel 8 van het EVRM staat ook niet in de weg aan de intrekking van het Nederlanderschap van eiser. Het beroep is ongegrond voor zover gericht tegen de intrekking van het Nederlanderschap, maar gegrond voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De rechtbank concludeert dat eiser het grondgebied van Nederland had verlaten voordat het terugkeerbesluit werd opgelegd, waardoor dit besluit ten onrechte is genomen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft het terugkeerbesluit en het inreisverbod, en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/8837 en AWB 24/1433

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 in de zaken tussen

[eiser], verblijvende in Marokko, eiser,

(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid [1] , en
de minister van Asiel en Migratie [2] , hierna samen: verweerder
(gemachtigde: mr. W.J. Poot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de intrekking van zijn Nederlanderschap en tegen het uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van 20 jaar.
1.1.
Met het primaire besluit van 11 januari 2024 heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser met onmiddellijke ingang ingetrokken. [3] Met het bestreden besluit van 23 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluit gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld bekend onder zaaknummer SGR 24/8837.
1.2.
Verweerder heeft op 11 januari 2024 ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van 20 jaar opgelegd. [4] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bekend onder zaaknummer AWB 24/1433.
1.3.
Verweerder heeft in beide zaken op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser heeft in beide zaken aanvullende beroepsgronden ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?
2. Eiser is op [geboortedatum 1] 1981 geboren in Marokko en heeft bij geboorte de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Op tienjarige leeftijd is hij met zijn ouders naar Nederland gekomen. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie verkregen. [5] Sindsdien heeft hij beide nationaliteiten.
2.1. Eiser is in 2021 door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. [6] Hij is veroordeeld wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in Somalië in de periode tussen 28 november 2010 en medio april 2016. Ook is hij veroordeeld voor de voorbereiding en bevordering van een terroristisch misdrijf in de periode tussen 1 november 2010 en medio april 2016 in Somalië.
2.2.
Het gerechtshof van Den Haag (het hof) heeft dit vonnis vernietigd [7] en eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren voor deelname aan een terroristische organisatie in Somalië en in Jemen in de periode tussen 28 november 2010 en 10 maart 2020. Ook is hij veroordeeld wegens voorbereiding en bevordering van een terroristisch misdrijf in Somalië in de periode tussen 1 november 2010 en medio april 2016.
2.3.
De Hoge Raad heeft dit arrest van het hof (gedeeltelijk) vernietigd [8] , maar uitsluitend voor wat betreft de deelname aan een terroristische organisatie in Jemen en de strafoplegging omdat de bewezenverklaring op dat punt door het hof ontoereikend is gemotiveerd. Tegen de veroordeling voor de voorbereiding en bevordering van een terroristisch misdrijf in Somalië in de periode tussen 1 november 2010 en medio april 2016
is geen cassatieberoep ingesteld, zodat dit onderdeel van de veroordeling reeds ten tijde van het uitbrengen van het hierna te noemen voornemen van 8 mei 2023 onherroepelijk was.
2.4.
Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het hof eiser in 2023 veroordeeld [9] tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, wegens deelname aan een terroristische organisatie in Somalië in de periode tussen 28 november 2010 en 1 januari 2012 en voorbereiding van een terroristisch misdrijf in Somalië in de periode tussen 1 november 2010 en april 2016. Deze veroordeling is op 30 november 2023 onherroepelijk geworden.
2.5.
In verband met de door eiser gepleegde terroristische misdrijven heeft verweerder op 8 mei 2023 [10] het voornemen aan eiser kenbaar gemaakt tot intrekking van zijn Nederlanderschap en het voornemen tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en het opleggen van een inreisverbod voor de duur van 20 jaar. Deze voornemens zijn naar aanleiding van de zienswijze van eiser op 21 juni 2023 ingetrokken.
2.6. Op 8 augustus 2023 heeft verweerder nieuwe voornemens uitgebracht. Na de zienswijze van eiser, met aanvullingen en toegelicht bij een zienswijzegesprek heeft verweerder met het primaire besluit het Nederlanderschap van eiser met onmiddellijke ingang ingetrokken. Het bezwaar dat eiser tegen dat besluit heeft gemaakt, heeft verweerder met het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.7.
Verweerder heeft op dezelfde dag eiser ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van 20 jaar opgelegd.
2.8.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening [11] van eiser hangende het bezwaar tegen het primaire besluit (intrekking Nederlanderschap) op 15 maart 2024 afgewezen.
2.9.
Eiser is eind december 2023 uit eigen beweging naar Marokko vertrokken voor een bezoek aan zijn ouders, waar hij sindsdien verblijft. Zijn ouders en een zus wonen in Marokko. Een andere zus woont in Spanje. In Nederland wonen twee meerderjarige kinderen van eiser, twee broers en twee zussen.
Intrekking Nederlanderschap (SGR 24/8837)
3. De RWN geeft verweerder de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap, onder meer in het geval een betrokkene onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf [12] en de intrekking van het Nederlanderschap niet leidt tot staatloosheid. [13]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser heeft uitgebreid gemotiveerd waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. De rechtbank zal de gronden hieronder bespreken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Op de zaak betrekking hebben de stukken5. Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Tot deze stukken behoren alle stukken die verweerder ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Hiertoe behoren niet stukken die zich bevinden onder derden en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan. [14] De schriftelijke neerslag van de raadpleging door het bestuursorgaan bij interne of externe adviseurs die betrekking heeft op de positiebepaling ten aanzien van aan de orde zijnde rechtsvragen vormt evenmin een op de zaak betrekking hebbend stuk, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. [15]
5.1.
Eiser voert aan dat het dossier dat verweerder heeft aangeleverd bij de rechtbank incompleet is, omdat daarin stukken van het Veiligheidshuis (VHH) [16] en van het OM ontbreken. Hierdoor is eiser in zijn verdediging geschaad. [17]
5.2.
Eiser heeft op de zitting zijn standpunt voor wat betreft het ontbreken van de stukken van het VHH niet gehandhaafd. Zijn standpunt over het ontbreken van de stukken van het OM handhaaft hij wel. Hij voert aan dat hij deze stukken nodig heeft om te kunnen vaststellen of verweerder niet in strijd met het verbod op détournement de pouvoir heeft gehandeld. Volgens eiser heeft verweerder kort voor de zitting van de raadkamer van 10 augustus 2023 (over de voortduring van de voorlopige hechtenis van eiser) de voornemens van 8 augustus 2023 uitgebracht om te bewerkstelligen dat de voorlopige hechtenis van eiser kon worden verlengd. Zonder kennisneming van de communicatie tussen de IND en het OM kan eiser dit niet controleren.
5.3.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser in het bezit is van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Verweerder heeft voldoende toegelicht, gelet op de brief van 9 oktober 2023, dat er weliswaar communicatie heeft plaatsgevonden tussen de IND en het OM, maar dat dit moet worden gezien als de schriftelijke neerslag van overleg met interne en externe adviseurs dat heeft plaatsgevonden in het kader van de positiebepaling van de IND. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hij niet was gehouden deze communicatie te overleggen omdat het geen op de zaak betrekking hebbende stukken betreft. [18] De overige stukken uit het departementaal dossier van eiser heeft verweerder wel aan het procesdossier toegevoegd.
5.4.
Op zitting heeft verweerder nader toegelicht dat van strijd met het verbod van détournement de pouvoir geen sprake is en dat het contact met het OM bedoeld was om duidelijkheid te verkrijgen over de arresten van de Hoge Raad en het hof voor wat betreft de vraag in hoeverre eiser op dat moment onherroepelijk was veroordeeld. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen. Het is aannemelijk dat het uitbrengen van de voornemens op 8 augustus 2023, gelet op het voorgaande, berust op voortschrijdend inzicht in de duiding van het arrest van de Hoge Raad en niet op feiten of omstandigheden die door het OM en/of reclassering en/of andere instanties zijn aangedragen. De rechtbank ziet daarom geen aanwijzingen dat verweerder zijn bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend.
5.5.
De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat hij in zijn verdediging is geschaad of dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.
Vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat de voornemens van 8 augustus 2023 prematuur zijn uitgebracht. Dit is volgens eiser tevens in strijd met het vertrouwensbeginsel.
6.2.
Uit de stukken volgt dat verweerder bij brief van 21 juni 2023 de eerdere voornemens van 8 mei 2023 heeft ingetrokken naar aanleiding van de zienswijze van eiser, waarin is aangegeven dat de veroordeling van eiser nog niet onherroepelijk is, gelet op het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2023. In die brief heeft verweerder overwogen dat:
‘Nader onderzoek na de ontvangst van uw brief heeft tot de conclusie geleid dat de uitgebrachte voornemens inderdaad prematuur zijn. Betrokkene kan de voornemens daarom als ingetrokken beschouwen. Ik verzoek u betrokkene hiervan op de hoogte te stellen. Voor de goede orde merk ik op dat de mogelijkheid bestaat dat nadere informatie aanleiding kan vormen om op een later moment opnieuw voornemens uit te brengen.’
6.3.
Op 8 augustus 2023 heeft verweerder opnieuw het voornemen tot intrekking van eisers Nederlanderschap en het voornemen tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en het opleggen van een zwaar inreisverbod voor de duur van 20 jaar aan eiser bekendgemaakt.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Verweerder heeft in zijn besluitvorming voldoende toegelicht dat hij met de brief van 21 juni 2023 geen concrete toezegging heeft gedaan dat de voornemens van 8 mei 2023 niet opnieuw zouden (kunnen) worden uitgebracht of alleen opnieuw zouden worden uitgebracht als er sprake was van nadere informatie. Verder heeft verweerder opgemerkt dat voortschrijdend inzicht tot de conclusie heeft geleid dat het Nederlanderschap van eiser ondanks dat er ten tijde van het uitbrengen van de voornemens van 8 mei 2023 nog geen sprake was van een onherroepelijk oordeel over de strafmaat, toch kon worden ingetrokken. Eiser was volgens het arrest van het hof van 7 juni 2022 immers wel onherroepelijk veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze gang van zaken. Gelet op deze omstandigheden bestond er geen beletsel om de voornemens opnieuw uit te brengen.
6.5.
Niet in geschil is dat eisers veroordeling op 30 november 2023 onherroepelijk is geworden. Dat is ruim voor het primaire besluit van 11 januari 2024 waarbij zijn Nederlanderschap is ingetrokken. Voor de vraag of verweerder mocht overgaan tot toepassing van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN moet worden uitgegaan van dit peilmoment voor de vraag of sprake is van een onherroepelijke veroordeling.
6.6.
De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, omdat hij zijn gronden die hij in bezwaar heeft aangevoerd in beroep herhaalt en verweerder hier in zijn besluitvorming voldoende gemotiveerd op is ingegaan.
Is de intrekking van het Nederlanderschap in strijd met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN [19] 7. Eiser voert aan dat de intrekking van zijn Nederlanderschap in strijd is met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN. Verweerder had aan de hand van de concrete gedragingen waarvoor eiser is veroordeeld, moeten beoordelen of eiser daarmee de essentiële belangen van Nederland ernstig heeft geschaad. Bij die beoordeling had verweerder ook de aan eiser opgelegde strafmaat en straf moeten betrekken. Aan eiser is een relatief lage gevangenisstraf opgelegd, omdat hij geen concrete gevechtshandelingen heeft verricht en verminderd toerekeningsvatbaar is. Daarnaast had verweerder een over eiser opgesteld Pro Justitia onderzoek van 10 augustus 2021, een NTA duidingsrapport van 5 juli 2021 en het reclasseringsadvies van 26 oktober 2023 kenbaar bij de beoordeling moeten betrekken. Eiser betwist dat hij de essentiële belangen van Nederland heeft geschaad. Ook betwist hij dat terroristische misdrijven moeten worden gerekend tot de zwaarste categorie misdrijven. Verweerder is hier ten onrechte niet op ingegaan. Het bestreden besluit is daarom niet goed voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Uit de wetsgeschiedenis van de RWN [20] volgt dat artikel 14, tweede lid, van de RWN een nadere concretisering is van het algemene criterium voor intrekking van nationaliteit uit artikel 7 van het EVN ('ernstig schaden van de essentiële belangen van de Staat'). Deze nadere concretisering brengt met zich dat ernstige schade aan de essentiële belangen van de Nederlandse Staat wordt voorondersteld als een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor één van de misdrijven genoemd in artikel 14, tweede lid, van de RWN. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 oktober 2022 [21] geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat alle misdrijven op grond waarvan het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, van de RWN kan worden ingetrokken, misdrijven zijn die de essentiële belangen van de Nederlandse Staat ernstig schaden. De rechtbank ziet, met verweerder, geen reden om daar nu van af te wijken.
7.2.
Vaststaat dat eiser onherroepelijk is veroordeeld voor terroristische misdrijven. Eiser heeft zich blijkens zijn onherroepelijke veroordeling aangesloten bij de terroristische organisatie Al Shabaab in Somalië en in die hoedanigheid terroristische misdrijven voorbereid. Terroristische misdrijven worden gerekend tot de zwaarste categorie van misdrijven. Dit oordeel vindt steun in het arrest Ghoumid van het EHRM [22] van 25 juni 2020 [23] en in de Afdelingsuitspraak van 30 april 2021. [24] Hiermee heeft eiser de essentiële belangen van Nederland ernstig geschaad.
7.3.
Anders dan eiser stelt, is verweerder niet gehouden om te treden in de strafrechtelijke beoordeling van de veroordeelde, in dit geval eiser. De strafrechter heeft de ernst van de feiten, de strafmaat en eisers verminderde toerekeningsvatbaarheid al beoordeeld. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling en hoeft de door eiser genoemde rapportages niet opnieuw te wegen in het kader van de vraag of de essentiële belangen van Nederland zijn geschaad. Die vraag wordt immers beantwoord door de veroordeling zelf. Alleen in het bijzondere geval dat sprake is van nadien gebleken feiten en omstandigheden die afbreuk doen aan of een nieuw licht werpen op de grondslagen of overwegingen van het strafvonnis, kan aanleiding bestaan hierover anders te oordelen. In deze zaak is dat niet aan de orde.
7.4.
Gelet op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is verweerder dan ook bevoegd om het Nederlanderschap van eiser in te trekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een functioneel onweerlegbare rechtspresumptie?
8. Eiser voert aan dat sprake is van een functioneel onweerlegbare rechtspresumptie. In zaken als deze volgt namelijk in de praktijk automatisch een intrekking van het Nederlanderschap op de strafrechtelijke veroordeling, omdat wordt aangenomen dat een persoon die is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, zijn band met Nederland heeft verbroken. Dit is volgens hem in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidbeginsel en met het recht op een doeltreffende voorziening, zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM. Verder is volgens eiser intrekking van het Nederlanderschap geen geschikt en noodzakelijk middel om de doelstelling te bereiken. Vooral omdat, in het geval van eiser, geen sprake is van een actueel gevaar voor de nationale veiligheid. Voor zover het bestreden besluit niet alleen al om de onweerlegbare rechtspresumptie onevenredig is, stelt eiser dat het aan verweerder is om onderzoek te doen naar de vraag of eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken, dan wel of eiser zijn banden actief heeft hersteld. Eiser voert aan dat hij zijn banden met Nederland bij terugkeer naar Nederland heeft hersteld. Hij heeft zich aan de bijzondere voorwaarden en de afspraken met de reclassering gehouden gedurende het schorsingstoezicht.
8.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Verweerder wijst er terecht op dat het uitgangspunt weliswaar is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken in het geval iemand onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, maar dat daarvan kan worden afgezien in het geval sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden die in de weg staan aan een intrekking. Dat dit het uitgangspunt is, is begrijpelijk nu ook het EHRM aanneemt dat terroristische misdrijven het fundament van de democratie ondermijnen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden beoordeelt verweerder in het kader van de belangenafweging die wordt voorgeschreven door artikel 68a van het BvvN. [25] De rechtbank gaat hierna, onder r.o. 9 en verder, nader in op deze belangenafweging. Eisers stelling dat verweerder in de praktijk nooit heeft afgezien van een intrekking van het Nederlanderschap nadat de bevoegdheid is geactiveerd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft dit bovendien op zitting weersproken. Dat sprake is van een functioneel onweerlegbare rechtspresumptie, volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet. [26]
Is de intrekking van het Nederlanderschap in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel dan wel met artikel 68a van het BvvN?9. Omdat intrekking van de Nederlandse nationaliteit van eiser tot gevolg heeft dat hij het Unieburgerschap verliest, moet verweerder beoordelen of de intrekking evenredig is. Bij deze evenredigheidsbeoordeling moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor eiser en zijn gezinsleden. In dit verband moet met name worden nagegaan of het verlies van de rechten van het Unieburgerschap gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de door eiser gepleegde inbreuk, het tijdsverloop tussen de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit en de intrekking daarvan en de mogelijkheid voor de betrokkene om de vroegere nationaliteit terug te krijgen. [27]
9.1.
De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De ruimte die verweerder heeft om af te zien van de intrekking is echter beperkt. Deze discretionaire ruimte is nader ingevuld door artikel 68a van het BvvN. Uit deze bepaling volgt dat verweerder bij de intrekking van het Nederlanderschap onder meer rekening houdt met (a) de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en (b) zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiser.
9.2.
De Afdeling heeft geoordeeld dat dit toetsingskader in overeenstemming is met de kaders die het HvJEU heeft gegeven voor het maken van een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling. [28] Het betoog van eiser dat de belangenafweging die verweerder in deze zaak heeft gemaakt een te beperkt karakter heeft en niet in overeenstemming is met artikel 68a van het BvvN en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel volgt de rechtbank daarom niet.
Belangenafweging
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt en dat de intrekking van het Nederlanderschap niet wegens zeer bijzondere omstandigheden achterwege moet blijven. Niet ten onrechte stelt verweerder dat de door eiser naar voren gebrachte belangen om het Nederlanderschap en Unieburgerschap te behouden niet opwegen tegen het belang van verweerder bij het intrekken van het Nederlanderschap wegens de geschonden essentiële belangen. Hierbij heeft verweerder voorop mogen stellen dat eiser is veroordeeld voor terroristische misdrijven, die tot de zwaarste categorie van misdrijven worden gerekend. Die veroordeling brengt in beginsel mee dat de band tussen eiser en Nederland niet langer kan bestaan.
Actualiteitstoets en deradicalisering
9.4.
De rechtbank overweegt verder dat de actualiteit van het gevaar geen vereiste is voor de intrekking van het Nederlanderschap. De actualiteitstoets maakt slechts deel uit van de belangenafweging en beperkt zich tot de vraag of eiser, gelet op de door hem aangevoerde omstandigheden, aannemelijk heeft gemaakt dat hij is gederadicaliseerd en daarmee geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid. De actualiteitstoets gaat niet zo ver dat verweerder uit eigen beweging stukken moet opvragen over het gedrag van de betrokkene. [29]
9.5.
Eiser heeft aangevoerd dat hij zich tijdens het schorsingstoezicht (april 2021 tot november 2021) aan de bijzondere voorwaarden en de afspraken met de reclassering heeft gehouden, dat hij op eigen initiatief vrijwilligerswerk heeft verricht en dat hij de contacten die hij daarbij heeft opgedaan als positief heeft ervaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is gederadicaliseerd en geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde gronden geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
9.6.
Verweerder heeft verder mogen betrekken dat het hof in eisers verminderde toerekeningsvatbaarheid geen aanleiding heeft gezien om hem geen of slechts een zeer korte straf op te leggen. Eiser is immers veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk. Eisers verminderde toerekeningsvatbaarheid geeft dan ook geen aanleiding om van intrekking van zijn Nederlanderschap af te zien. In het reclasseringsadvies van 13 april 2022 staat verder dat het recidivegevaar als hoger dan gemiddeld wordt ingeschat.
Belangen van eisers kinderen
9.7.
Met betrekking tot de belangen van eisers kinderen heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om af te zien van intrekking van eisers Nederlanderschap. Verweerder heeft mogen betrekken dat er geen sprake is van contact tussen eiser en zijn meerderjarige zoon (geboren op [geboortedatum 2] 2005) en dat het contact met zijn eveneens meerderjarige dochter (geboren op [geboortedatum 3] 2006) bestaat uit twee belmomenten per week. Dit contact wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet in aanzienlijke mate beïnvloed. Dat eisers dochter het contact met haar vader in de toekomst mogelijk wil uitbreiden, leidt niet tot de conclusie dat om die reden van de intrekking van eisers Nederlanderschap moet worden afgezien.
9.8.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het hebben van kinderen in Nederland geen reden is om af te zien van intrekking van eisers Nederlandse nationaliteit, omdat eisers verblijf in Nederland niet afhankelijk is van zijn Nederlandse nationaliteit.
9.9.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiser evenredig is. Deze beroepsgronden falen.
Ne-bis-in-idembeginsel
10. Eiser voert aan dat sprake is van strijd met het verbod op dubbele bestraffing (ne-bis-in-idem), omdat de wijze waarop de maatregel door verweerder wordt toegepast, het doel en de zwaarte van de maatregel erop wijzen dat sprake is van een punitieve sanctie waartoe niet kan worden overgegaan naast een strafrechtelijke veroordeling. Hij kan zich niet vinden in de rechtspraak van de Afdeling waar het gaat om toetsing aan de Engel-criteria. [30] Hij wijst in dat verband naar het arrest Vinal. [31] Uit dit arrest volgt dat de intrekking van een vergunning geen sanctie van strafrechtelijke aard is als zij plaatsvindt omdat niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning én de intrekking niet voor onbepaalde tijd geldt. [32] Volgens eiser is in zijn geval de intrekking van het Nederlanderschap een sanctie van strafrechtelijke aard, omdat hij aan de voorwaarden voor toekenning (in dit geval) verlening van het Nederlanderschap voldeed en de intrekking voor onbepaalde tijd geldt. De cumulatie van de twee aan eiser opgelegde sancties (de strafrechtelijke veroordeling van eiser en de intrekking van zijn Nederlanderschap) is daarom niet in overeenstemming met het Unierechtelijke ne-bis-in-idembeginsel.
10.1.
De rechtbank overweegt dat uit de Afdelingsjurisprudentie waar verweerder naar heeft verwezen volgt dat de intrekking van het Nederlanderschap geen tweede punitieve sanctie betreft naast de strafrechtelijke veroordeling. [33] De Afdeling betrekt bij haar oordeel de criteria die volgen uit het arrest Engel. Van belang zijn in dat kader de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, de aard van de overtreding (mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie) en de zwaarte van de maatregel. De Afdeling concludeert – kort gezegd – dat de intrekking van het Nederlanderschap moet worden gezien als een bestuursrechtelijke ordemaatregel, die – hoewel ingrijpend – niet is gericht op leedtoevoeging en aldus niet in strijd is met het ne bis in idem beginsel, wanneer een vreemdeling al strafrechtelijke consequenties heeft ondervonden als gevolg van zijn handelen. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling heeft gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Afdeling haar oordeel meermaals heeft herhaald [34] en dat ook het EHRM de intrekking van de nationaliteit niet als punitieve sanctie heeft aangemerkt. [35]
10.2.
Eisers beroep op het arrest Vinal leidt ook niet tot een ander oordeel. Dit arrest gaat over de toepassing van artikel 50 van het Handvest in het geval twee sancties strafrechtelijk van aard zijn. Aangezien het Handvest rechten bevat die corresponderen met de door het EVRM gewaarborgde rechten, bepaalt artikel 52, derde lid, van het Handvest, dat die dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door genoemd Verdrag aan worden toegekend. [36] In het arrest is overwogen dat het aan de verwijzende rechter is om aan de hand van deze criteria na te gaan of de aan de orde zijnde maatregelen als strafrechtelijke sancties moeten worden aangemerkt.
10.3.
De rechtbank overweegt dat de criteria waaraan in het arrest Vinal is getoetst corresponderen met de zogenoemde Engel-criteria, waaraan is getoetst in de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank ziet in de verwijzing naar dit arrest geen aanleiding voor een andere beoordeling van die criteria zoals in de zaak van eiser is gemaakt.
10.4.
Dat, zoals eiser stelt, de intrekking van het Nederlanderschap moet worden aangemerkt als strafrechtelijke sanctie, omdat deze een algemeen verbindend karakter heeft, een bestraffend en afschrikkend doel heeft en omdat het streeft naar bescherming van openbare orde en nationale veiligheid van Nederland, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Ook ziet de rechtbank niet in dat de intrekking is gericht op leedtoevoeging. De intrekking van het Nederlanderschap van eiser brengt tot uitdrukking dat de band van eiser met Nederland, als onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden, niet langer kan bestaan. Het uitgangspunt is om de verbreking van die band rechtens vast te stellen. Dat, gelet op het arrest Vinal, in eisers geval de intrekking van het Nederlanderschap een sanctie van strafrechtelijke aard is, omdat hij aan de voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap voldeed en de intrekking voor onbepaalde tijd geldt, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank ziet niet in waarom in eisers geval een ander gewicht zou moeten worden toegekend aan de zwaarte van de maatregel wat mogelijk tot een andere conclusie zou leiden dan volgt uit de rechtspraak van de Afdeling en het door de Afdeling genoemde arrest Ghoumid. Eiser heeft zijn standpunt op dit punt onvoldoende geconcretiseerd.
10.5.
Omdat de maatregel niet als punitief wordt aangemerkt, is geen sprake van dubbele bestraffing en staat het ne-bis-in-idembeginsel niet in de weg aan intrekking van het Nederlanderschap van eiser. Deze beroepsgrond van eiser treft geen doel.
Het verbod op discriminatie
11. Eiser voert aan dat bij de intrekking van het Nederlanderschap een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlanders die alleen de Nederlandse nationaliteit hebben en Nederlanders met een dubbele nationaliteit. Hij kan zich niet vinden in de Afdelingsjurisprudentie over zaken zoals deze, waar verweerder naar heeft verwezen. [37] Eiser wijst op een uitspraak van rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025, waarin is geoordeeld dat verweerder bij intrekking van het Nederlanderschap een verboden onderscheid maakt op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming. [38] Het Staatloosheidsverdrag biedt geen legitimatie voor het gemaakte (in)directe onderscheid. Een internationale verplichting (het voorkomen van staatloosheid) mag niet worden ingezet om een inbreuk op een andere internationale verplichting (het non-discriminatieverbod) te rechtvaardigen. Eiser verwijst in dit verband naar het rapport van het Institute on Statelessness and Inclusion (ISI) van juli 2020. Verweerder heeft ten onrechte niet inhoudelijk gereageerd, maar volstaan met een verwijzing naar vaste Afdelingsjurisprudentie ter weerlegging van eisers argumenten. Volgens eiser is intrekking van het Nederlanderschap geen geschikt en noodzakelijk middel om de doelstelling – het tot uitdrukking brengen dat eiser zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan – te bereiken. Dit doel kan ook worden bereikt met andere maatregelen, zoals ontzetting uit het kiesrecht zonder onderscheid te maken tussen Nederlanders die alleen de Nederlandse nationaliteit hebben en Nederlanders met een dubbele nationaliteit.
11.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder het primaire besluit heeft gehandhaafd, dus ook de daarin opgenomen uitvoerige overwegingen over het verbod op discriminatie onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde Afdelingsjurisprudentie. Dat eiser zich niet kan vinden in de genoemde Afdelingsjurisprudentie, schept geen verplichting voor verweerder om uitvoeriger te motiveren.
11.2.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 14, tweede lid, van de RWN geen direct onderscheid maakt op grond van afkomst, ras of etnische afstamming. Het onderscheidende criterium is het al dan niet hebben van meerdere nationaliteiten. Deze bepaling is van toepassing op iedere Nederlander met een dubbele nationaliteit, ongeacht afkomst. Zo kan de bepaling ook van toepassing zijn op een persoon met Nederlandse afkomst die door geboorte in een land met het
ius soli-beginsel (zoals de Verenigde Staten) een tweede nationaliteit heeft verkregen. Verweerder heeft op zitting bevestigd dat – indien aan de voorwaarden is voldaan – ook van die persoon het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. [39]
11.3.
De rechtbank is zich bewust van het feit dat de gevallen waarin artikel 14, tweede lid, van de RWN in de praktijk wordt toegepast voor het merendeel personen betreffen met een migratieachtergrond, met name personen met de Marokkaanse of Turkse nationaliteit. Dit komt doordat personen met deze nationaliteiten hun oorspronkelijke nationaliteit veelal van rechtswege behouden, ook na naturalisatie in Nederland, terwijl personen met alleen de Nederlandse nationaliteit (veelal zonder migratieachtergrond) niet onder de intrekkingsbevoegdheid vallen, omdat intrekking tot staatloosheid zou leiden. Hierdoor is sprake van indirect onderscheid op grond van ras, etnische afkomst of nationale afstamming in de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.4.
Indirect onderscheid is slechts toegestaan indien het onderscheid een legitiem doel dient, het onderscheid geschikt is om dat doel te bereiken, het onderscheid noodzakelijk is (er zijn geen even effectieve, maar minder belastende alternatieven) en het onderscheid proportioneel is (de nadelen wegen niet onevenredig zwaar ten opzichte van het doel).
11.5.
De Afdeling heeft in vaste jurisprudentie [40] geoordeeld dat artikel 14, tweede lid, van de RWN twee legitieme doelen dient, namelijk het voorkomen van staatloosheid (artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot beperking der staatloosheid) en het tot uitdrukking brengen dat een persoon zich zodanig tegen de essentiële belangen van Nederland heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Het beperken van de intrekkingsbevoegdheid tot personen met een dubbele nationaliteit is een geschikt middel om staatloosheid te voorkomen, aangezien de betrokkene een andere nationaliteit behoudt. Het is tevens geschikt om tot uitdrukking te brengen dat de band met Nederland is verbroken.
11.6.
Eiser voert aan dat minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn, zoals ontzetting uit het kiesrecht, die het doel eveneens kunnen bereiken zonder onderscheid te maken op grond van nationaliteit. De rechtbank overweegt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor intrekking van het Nederlanderschap als zwaarste maatregel, juist om tot uitdrukking te brengen dat de band met Nederland in beginsel definitief is verbroken. [41] Uit de jurisprudentie waar verweerder naar heeft verwezen volgt verder dat de intrekking van het Nederlanderschap een noodzakelijk middel is en dat in elk individueel geval een evenredigheidsbeoordeling wordt gemaakt. In zoverre is de intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd met het verbod op discriminatie.
11.7.
Dat de Afdeling het door eiser aangehaalde rapport van het ISI onvoldoende kenbaar heeft betrokken, zodat op dat punt niet van de Afdelingsjurisprudentie kan worden uitgegaan, volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft dit rapport bij haar uitspraak [42] betrokken, maar niet doorslaggevend gevonden. De rechtbank ziet daarom geen reden om met betrekking tot dat rapport niet uit te gaan van de jurisprudentie van de Afdeling.
11.8.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande in de verwijzing naar eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 ook geen aanleiding om af te wijken van de hiervoor genoemde Afdelingsjurisprudentie. Eiser heeft verder geen wezenlijk nieuwe argumenten aangevoerd die niet al eerder in de jurisprudentie zijn beoordeeld. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert daarom geen reden om af te wijken van de vaste jurisprudentie van de Afdeling. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiser niet in strijd is met het verbod op discriminatie. Deze beroepsgrond van eiser treft geen doel.
Prejudiciële vragen
12. Eiser heeft verzocht om, mocht de rechtbank in deze zaak de uitspraak van de rechtbank Amsterdam niet volgen, prejudiciële vragen te stellen aan Hof van Justitie. De rechtbank ziet geen redelijke twijfel over de uitleg van Unierecht die prejudiciële vragen rechtvaardigt. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de vaste jurisprudentie in zaken zoals deze.
Is de intrekking van het Nederlanderschap in strijd met artikel 8 van het EVRM?
13. In een uitspraak van 11 mei 2022 [43] heeft de Afdeling uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen de intrekking van het Nederlanderschap. De eerste stap in die beoordeling is of de intrekking een inmenging in het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven is. Daarbij is bepalend of de intrekking negatieve gevolgen heeft voor het privéleven van de betrokkene. Als de intrekking een inmenging is, moet worden beoordeeld of deze gerechtvaardigd is. Het gaat daarbij om de vraag of de intrekking is voorzien bij wet, of de betrokkene de intrekking bij de rechter heeft kunnen aanvechten, of de intrekkingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed, of verweerder zorgvuldig heeft gehandeld en snel genoeg tot intrekking is overgegaan en ten slotte of verweerder de intrekkingsbevoegdheid willekeurig heeft toegepast.
13.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de hand van de hiervoor omschreven jurisprudentie van de Afdeling beoordeeld of de intrekking van het Nederlanderschap in de situatie van eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM en heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat dit niet het geval is.
13.2.
Niet is in geschil dat sprake is van inmenging in het recht op privéleven. Deze intrekking is gebaseerd op een bij wet voorziene regeling en eiser kan deze bij de rechter aanvechten. De intrekking van het Nederlanderschap is ook met de nodige waarborgen en rechtsbescherming omkleed. Verder is verweerder snel genoeg tot intrekking overgegaan; het vonnis is op 30 november 2023 onherroepelijk geworden en het eerste voornemen is op 8 mei 2023 uitgebracht, het tweede voornemen op 8 augustus 2023. Uit wat hiervoor is overwogen in het kader van artikel 68a van het BvvN volgt dat verweerder de intrekking van het Nederlanderschap niet willekeurig heeft toegepast. Ook heeft verweerder de gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap voor eiser en zijn belangen voldoende afgewogen tegen de aard en ernst van de door hem gepleegde terroristische misdrijven en deze niet zo bijzonder zwaarwegend hoeven vinden dat zij opwegen tegen het belang van verweerder bij de intrekking van het Nederlanderschap.
13.3.
Daarnaast heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet wordt geraakt door de intrekking van het Nederlanderschap. Eiser dient namelijk niet als gevolg van het bestreden besluit Nederland (en dus zijn kinderen) te verlaten. Verweerder wijst in dit kader terecht op het arrest Ghoumid.
13.4.
Gelet op het voorgaande staat artikel 8 van het EVRM niet in de weg aan de intrekking van het Nederlanderschap van eiser.
Het terugkeerbesluit en inreisverbod (AWB 24/1433)14. De tweede zaak gaat over het opgelegde terugkeerbesluit en het inreisverbod van 20 jaar. In het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser – als gevolg van het intrekkingsbesluit – geen rechtmatig verblijf heeft en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Bij dat besluit heeft verweerder aan eiser ook een inreisverbod voor de duur van 20 jaar opgelegd.
Het terugkeerbesluit
15. Eiser voert – voor zover van belang – aan dat verweerder hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd, omdat hij ten tijde van bestreden besluit niet (meer) onder het regime van de Terugkeerrichtlijn [44] viel. Hij heeft namelijk rond december 2023 dus vóór het opleggen van het terugkeerbesluit, Nederland vrijwillig verlaten en is toen naar Marokko vertrokken. Eiser stelt dat hij dus ten tijde van het voornemen en het bestreden besluit niet illegaal op het grondgebied van Nederland verbleef, wat wel is vereist om een terugkeerbesluit op grond van de Terugkeerrichtlijn op te kunnen leggen. [45] Volgens eiser had het voor verweerder duidelijk moeten zijn dat hij ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod in Marokko was, gelet op de vele contacten tussen de reclassering, het OM en verweerder over eiser. De reclassering en het OM hebben toestemming verleend voor het familiebezoek van eiser in Marokko.
16. Verweerder stelt dat hij ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet op de hoogte was van het feit dat eiser in Marokko verbleef.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
17. Uit vaste jurisprudentie volgt dat voor het terugkeerbesluit volgens artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn als voorwaarde geldt dat de onderdaan van een derde land op het grondgebied van een van de lidstaten aanwezig is. De strekking van zo'n besluit is dat een vreemdeling het grondgebied van de lidstaten moet verlaten. De Terugkeerrichtlijn koppelt de bevoegdheid tot het uitvaardigen van het inreisverbod aan het bestaan van een terugkeerbesluit, dat op zijn beurt wel moet zijn genomen op het moment dat de vreemdeling illegaal op het grondgebied van een van de lidstaten verblijft. [46]
17.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en wat op zitting is besproken genoegzaam blijkt dat eiser het grondgebied van Nederland en de EU had verlaten voordat verweerder het terugkeerbesluit had opgelegd en dat hij zich ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit op 11 januari 2024 nog steeds in Marokko bevond. Op dat moment verbleef eiser dus niet illegaal op het grondgebied van Nederland, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank – gelet op artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn – ten onrechte een terugkeerbesluit aan eiser heeft opgelegd. De rechtbank volgt niet de op zitting ingenomen stelling van verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat hij ten tijde van het bestreden besluit Nederland en de EU daadwerkelijk had verlaten. Verweerder heeft namelijk niets aangevoerd waaruit blijkt dat eiser zich op het moment van het opleggen van het terugkeerbesluit in Nederland of de EU bevond, noch op enige wijze de door eiser overgelegde bewijsstukken, die zijn stelling ondersteunen, gemotiveerd betwist of daar andere stukken tegenover gesteld. Ten slotte geldt dat voor zover verweerder niet van deze omstandigheid op de hoogte was, hij dit redelijkerwijs wel had kunnen zijn. De beroepsgrond slaagt.
Het inreisverbod
18. Eiser voert aan dat, nu het terugkeerbesluit geen stand kan houden, verweerder hem ook geen inreisverbod heeft kunnen opleggen. Hij wijst daarbij op artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
19. De rechtbank overweegt dat zij hiervoor tot het oordeel is gekomen dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Daarom kon verweerder ook geen inreisverbod aan eiser opleggen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond, voor zover gericht tegen de intrekking van het Nederlanderschap.
21. Het beroep is gegrond, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Dit betekent dat eiser in zoverre gelijk krijgt. Verweerder had het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet mogen uitvaardigen aan eiser, omdat eiser zich op het moment waarop het terugkeerbesluit is uitgevaardigd niet langer op het grondgebied van de lidstaten bevond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De rechtbank zal niet van de mogelijkheid gebruik maken om het geschil definitief te beslechten, omdat het aan verweerder is om een nieuw besluit te nemen waarbij mogelijk een ongewenstverklaring kan worden opgelegd aan eiser met soortgelijke gevolgen als het bij deze uitspraak vernietigde inreisverbod. Bij een mogelijk te nemen nieuw besluit moet verweerder rekening houden met wat in deze uitspraak is geoordeeld.
22. Omdat het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Eiser krijgt geen griffierecht terug, omdat in de zaak bekend onder zaaknummer AWB 24/1433 geen griffierecht is geheven.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24/8837, voor zover gericht tegen de intrekking van het Nederlanderschap, ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer AWB 24/1433, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 januari 2024, voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzitter, en mr. D. Biever en
mr. F. Arichi, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zaak met nummer SGR 24/8837.
2.In de zaak met nummer AWB 24/1433.
3.Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
4.Op grond van artikel 62a, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000.
5.Koninklijk Besluit van 4 juli 2001.
6.Vonnis van 28 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10133.
7.Arrest van 7 juni 2022, rolnummer 22-002979-21, niet gepubliceerd.
8.Arrest van 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771.
9.Arrest van 15 november 2023, rolnummer 22-001619-23, niet gepubliceerd.
10.Uitgereikt op 24 mei 2023.
11.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ECLI:NL:RBDHA:2024:3793.
12.Als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het WvSr in samenhang met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN.
13.Dit staat in artikel 14, achtste lid, van de RWN.
14.Zie het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2. tot en met r.o. 3.5.2., en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1969, r.o. 9.2.
15.Uitspraak van de Afdeling van 5 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7220.
16.Het Veiligheidshuis is een regionaal overlegorgaan, waaraan verschillende ketenpartners deelnemen.
17.Dit is in strijd met de artikelen 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
18.Uitspraak van de Afdeling van 5 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7220.
19.Europees Verdrag inzake Nationaliteit.
20.Kamerstukken II 2008-09, 31 813 (R1873), nr. 3, p. 7-8.
21.Uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861.
22.Europees Hof voor de rechten van de Mens.
23.Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316, onder 72.
24.Uitspraak van de Afdeling van 30 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:926, r.o. 9.1.
25.Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap.
26.Zie ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3993, r.o. 8.1.
27.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 2 maart 2010, inzake Rottmann, ECLI:EU:C:2010:104.
28.Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, r.o. 5.2. en van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 5.2.
29.ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 5.5.
30.Arrest van het EHRM van 8 juni 1976, inzake Engel en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1976:0608JUD000510071.
31.Het arrest van het HvJEU van 14 september 2023, ECLI:EU:C:2023:667.
32.Zie noot van Widdershoven bij het arrest Vinal. AB 2024/127: Niet in tijd beperkte intrekking vergunning voor belastingentrepot kan sanctie van strafrechtelijke aard zijn; beginsel van ne bis in idem; evenredigheidsbeginsel.
33.Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2366 en van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, r.o. 4.1. e.v.
34.Uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 3.1.
35.Zie het arrest Ghoumid.
36.Zie de toelichting bij de artikelen 50 en 52 van het Handvest, PbEG 2007, C303/31.
37.Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1528, van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3604, van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2366, van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861, van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1745 en van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045.
39.Vergelijk de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14976.
40.Zie onder meer voormelde uitspraak van 30 december 2020.
41.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020 en de uitspraken van deze rechtbank van 14 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5779 en van 29 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4599.
42.ECLI:NL:RVS:2020:3045, r.o. 6. e.v.
44.Richtlijn 2008/115/EG.
46.Uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:89, onder 3.3.