ECLI:NL:RBDHA:2024:3810
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke beschermingsstatus verzoekster
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarbij haar tijdelijke beschermingsstatus per 5 maart 2024 werd beëindigd. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening die de opschorting van de rechtsgevolgen van dit besluit beoogt, zodat zij niet uitgezet wordt gedurende de behandeling van het beroep.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om griffierechtvrijstelling toegekend op grond van de financiële situatie van verzoekster. Vervolgens is overwogen dat de spoedeisendheid aanwezig is omdat de tijdelijke bescherming per 5 maart 2024 eindigt en het beroep niet tijdig kan worden afgedaan.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van verzoekster om de voorzieningen verbonden aan de tijdelijke beschermingsstatus te behouden zwaarder weegt dan het belang van verweerder om deze per 5 maart 2024 te beëindigen. Daarom is het verzoek tot voorlopige voorziening gegrond verklaard en is het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak in de hoofdzaak.
Daarnaast is verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster ter hoogte van € 875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor rechtsbijstand door een derde.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.F.I. Sinack en griffier S.S. van der Velde en is openbaar gemaakt op 20 maart 2024. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van de tijdelijke beschermingsstatus is geschorst tot uitspraak in de hoofdzaak en verweerder is veroordeeld tot betaling van proceskosten.