ECLI:NL:RBDHA:2024:3810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 maart 2024
Publicatiedatum
20 maart 2024
Zaaknummer
AWB24_2024
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke beschermingsstatus verzoekster

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarbij haar tijdelijke beschermingsstatus per 5 maart 2024 werd beëindigd. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening die de opschorting van de rechtsgevolgen van dit besluit beoogt, zodat zij niet uitgezet wordt gedurende de behandeling van het beroep.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om griffierechtvrijstelling toegekend op grond van de financiële situatie van verzoekster. Vervolgens is overwogen dat de spoedeisendheid aanwezig is omdat de tijdelijke bescherming per 5 maart 2024 eindigt en het beroep niet tijdig kan worden afgedaan.

De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van verzoekster om de voorzieningen verbonden aan de tijdelijke beschermingsstatus te behouden zwaarder weegt dan het belang van verweerder om deze per 5 maart 2024 te beëindigen. Daarom is het verzoek tot voorlopige voorziening gegrond verklaard en is het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak in de hoofdzaak.

Daarnaast is verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster ter hoogte van € 875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor rechtsbijstand door een derde.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.F.I. Sinack en griffier S.S. van der Velde en is openbaar gemaakt op 20 maart 2024. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van de tijdelijke beschermingsstatus is geschorst tot uitspraak in de hoofdzaak en verweerder is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/2024

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. L. Leenders),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat de tijdelijke bescherming [1] van verzoekster met ingang van 5 maart 2024 is beëindigd.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (AWB 24/2022). Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en zij niet zal worden uitgezet voor de duur van de behandeling van het beroep.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Van de indiener van een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter wordt griffierecht geheven. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld. Gelet op wat verzoekster naar voren heeft gebracht over haar inkomen, en gelet op het door haar ondertekende formulier, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Van verzoekster zal dan ook geen griffierecht worden geheven.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van
de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
3. Het eindigen van de tijdelijke bescherming zoals vastgesteld in het bestreden besluit brengt mee dat verzoekster met ingang van 5 maart 2024 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven.
4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek bij wijze van ordemaatregel op hierna te melden wijze toe te wijzen. Daartoe is redengevend dat het beroep niet kan worden afgehandeld voordat verzoeksters tijdelijke beschermingsstatus eindigt, mede gelet op het aantal beroepsgronden en de aard daarvan. Verzoeksters belang om de voorzieningen die horen bij de status van tijdelijk beschermde te behouden zolang het beroep loopt, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verweerders belang om die voorzieningen op 5 maart 2024 meteen te beëindigen. Het verzoek is gegrond.
5. In de toewijzing van het verzoek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 schorst het bestreden besluit totdat uitspraak is gedaan op het beroep;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn