De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 29 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij binnen vier weken na 4 maart 2024 de Europese Unie moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het beëindigen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen kan behouden gedurende de beroepsprocedure.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en wijst het toe zonder zitting. Verzoeker wordt behandeld als een vreemdeling die nog onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van € 875,-.
Deze voorlopige voorziening heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding. Er is geen hoger beroep of verzet mogelijk tegen deze uitspraak.