ECLI:NL:RBDHA:2024:3837
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling geen rechtmatig verblijf van Unieburger en verwijderingsmaatregel
Eiser, een Poolse Unieburger die ruim 4,5 jaar in Nederland verbleef en werkte, werd geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf na de vrije termijn van drie maanden. De staatssecretaris oordeelde dat eiser werkloos was, niet werkzoekend, niet studeerde en niet beschikte over voldoende middelen van bestaan.
Eiser voerde aan dat hij binding heeft met Nederland, drie kinderen onderhoudt en betere economische vooruitzichten heeft dan in Polen. Tevens stelde hij dat de verwijderingsmaatregel in strijd is met het lex certa-beginsel en dat hij onvoldoende informatie kreeg over het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf. Ook stelde hij dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging maakte bij het opleggen van de vertrektermijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, waarbij rekening werd gehouden met onder meer het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het veroorzaken van overlast door strafbare feiten. De stelling van eiser dat hij op zoek was naar werk werd onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwierp het beroep wegens onvoldoende bewijs en oordeelde dat de verwijderingsmaatregel niet in strijd was met het lex certa-beginsel.
Verder werd geoordeeld dat verweerder geen belangenafweging hoefde te maken bij het vaststellen van de vertrektermijn en dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk was, omdat de uitspraak in het beroep was gedaan. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van geen rechtmatig verblijf wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.