ECLI:NL:RBDHA:2024:3867
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens onvergunde bewoning
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is opgelegd wegens onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan twee bewoners. De last bepaalde dat de overtreding voor 6 oktober 2023 moest zijn beëindigd, met een dwangsom van € 5.000,00 bij niet-naleving.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. De begunstigingstermijn was al verstreken op het moment van het verzoek en de dwangsom is verbeurd omdat de overtreding niet tijdig is beëindigd. Rechtspraak van de hoogste bestuursrechter ondersteunt dat in dergelijke gevallen geen spoedeisend belang bestaat.
Verder is het niet mogelijk om een begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen nadat deze is verstreken, tenzij er sprake is van een evident onrechtmatig besluit en nog niet alle dwangsommen zijn verbeurd. Dit is hier niet het geval, omdat het dwangsombesluit een eenmalige dwangsom betreft en de last is uitgewerkt.
Ook is niet gebleken dat het bestuursorgaan tot invordering van de dwangsom is overgegaan. Mocht dat alsnog gebeuren, dan staat verzoeker rechtsmiddelen ter beschikking. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen en de voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.