ECLI:NL:RBDHA:2024:3913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 maart 2024
Publicatiedatum
21 maart 2024
Zaaknummer
NL23.39817
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling wegens niet tijdig beslissen op bezwaar in vreemdelingenzaak

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waarna op 4 januari 2024 alsnog een ongegrondverklaring van het bezwaar werd gegeven. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht de rechtbank verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting over het verzoek om proceskostenveroordeling. Omdat verweerder alsnog een besluit op het bezwaar had genomen, werd geoordeeld dat verweerder aan het beroep tegemoet was gekomen, waardoor de proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a Awb mogelijk was.

De rechtbank wees het verzoek toe en bepaalde de hoogte van de proceskostenvergoeding op € 437,50, gebaseerd op een vast bedrag uit het Besluit proceskosten bestuursrecht met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van proceskosten van € 437,50 en het griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.39817
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [v nummer]

(gemachtigde: mr. H.A. de Graaf) en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoekster, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van verzoekster.
Op 4 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft aangegeven de proceskosten te willen vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster door alsnog een besluit op het bezwaar te nemen.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast
bedrag, omdat verzoekster een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden.1

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.

Documentcode: [documentcode]

1 Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
t