Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2021, gesteld op € 574.000, en betwistte tevens dat de heffingsambtenaar aan zijn toezendverplichting had voldaan.
De rechtbank overwoog dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, waarbij rekening was gehouden met verschillen tussen vergelijkingsobjecten en de woning, inclusief servicekosten en oppervlakteverschillen. De stellingen van belanghebbende over onvergelijkbaarheid van bepaalde objecten en waardedruk door ligging werden verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
Verder oordeelde de rechtbank dat de gevraagde aanvullende informatie over correctiepercentages, grondprijs en indexeringspercentages niet onder de toezendplicht valt en dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven. Ook de toepasselijkheid van artikelen 6:17 en 7:4 Awb bood geen grond voor andersluidend oordeel.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.