De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten. Dit terugkeerbesluit is gebaseerd op het beëindigen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en daarnaast een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de beroepsprocedure zijn tijdelijke bescherming en de bijbehorende voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek als kennelijk gegrond en wijst het toe zonder zitting, op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het oordeel voorlopig is en niet bindend voor het bodemgeding. Gezien de complexiteit van de rechtsvragen in het beroep is het niet passend om nu een definitief oordeel te geven over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Daarom wordt verzoeker voorlopig behandeld als vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,-, vanwege het indienen van het verzoekschrift door de gemachtigde van verzoeker.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Munsterman en is openbaar gemaakt op 21 maart 2024. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.