ECLI:NL:RBDHA:2024:3937
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Ghanese nationaliteit, werd op 25 oktober 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring reeds eerder beoordeeld en oordeelde dat deze tot 16 februari 2024 rechtmatig was. De beoordeling richtte zich daarom op de periode vanaf die datum. Eiser diende op 1 maart 2024 een aanvraag voor toetsing aan het Unierecht in, waardoor hij vanaf die datum rechtmatig verblijf had en de bewaring niet langer op grond van artikel 59 Vw Pro kon worden voortgezet.
De staatssecretaris stelde dat sprake was van misbruik van procesrecht en dat de aanvraag niet aan de indieningsvereisten voldeed. De rechtbank verwierp deze stellingen, oordeelde dat het verzuim nog hersteld kon worden en dat er onvoldoende aanleiding was om misbruik aan te nemen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de bewaring sinds 1 maart 2024 onrechtmatig was en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.300,- voor 13 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €1.750,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is gegrond verklaard en een schadevergoeding van €1.300,- toegekend.