ECLI:NL:RBDHA:2024:3946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
22 maart 2024
Zaaknummer
C/09/662473/KG RK 24-331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens gebrek aan gegronde vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen rechter M.E. Kiers in een bestuursrechtelijke zaak tussen verzoeker en de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk. Het verzoek richtte zich op vermeende vooringenomenheid van de rechter, onder meer omdat een zittingsdatum werd vastgesteld terwijl de gemachtigde van verzoeker op die datum absoluut verhinderd was.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzetten van een zittingsdatum een procedurele beslissing is die niet als grond voor wraking kan dienen. Daarnaast was de stelling dat de rechter in eerdere zaken systematisch ongunstige uitspraken deed onvoldoende geconcretiseerd om vooringenomenheid aan te nemen. Het enkele feit van eerdere ongunstige uitspraken leidt niet tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

De wrakingskamer besloot het verzoek af te wijzen en het proces in de hoofdzaak voort te zetten zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek vond niet plaats omdat het debat over de gegrondheid niet aan de orde was. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter M.E. Kiers is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2024/23
zaak- /rekestnummer: C/09/662473 / KG RK 24-331
Beslissing van 19 maart 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: [gemachtigde] ( [bedrijf] ),
strekkende tot de wraking van
mr. M.E. Kiers,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 28 februari 2024 met bijlagen, ingekomen op de griffie van de wrakingskamer op 29 februari 2024, en
- de brief van de gemachtigde van verzoeker van 1 maart 2024, ingekomen op de griffie van de wrakingskamer op 5 maart 2024.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 22/7880 tussen verzoeker en de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk.
2.2.
Het wrakingsverzoek luidt, voor zover van belang voor de beoordeling van het wrakingsverzoek, als volgt:
“Inzake uw dossier(s) met het(de) nummer(s) 22/7880{ev.c.a./e.v.}én zie alle bijlage(n) bericht ik u hierdoor in ieder geval tijdig [lees in voorkomend geval: nogmaals c.q. per omgaande] alsvolgt: op 12 december jl. ontving ik de vooraankondiging voor een zitting te uwent op donderdag 29 februari aanstaande. Per kerende post meldde ik u schriftelijk alsdan (trouwens elke donderdag, hetgeen een feit van algemene bekendheid is) absoluut fysiek verhinderd te zijn onder opgave van mijn -op dat moment- resterende beschikbaarheidsdata. Wát schetst mijn verbazing: ik kreeg van u géén reactie op mijn voormeld epistel maar juist wel een schrijven dat de zitting op voormelde dag zou aanvangen om 11.30 uur. Geplande behandeltijd: (maar) 10 minuten. Géén volledig (dag)programma, zoals gebruikelijk.
Voor de eerste keer in 42 jaar ben ik nu genoodzaakt een wrakingsverzoek in te dienen. Vermoed dat er bij deze rechter (M. E. Kiers) sprake is van een persoonlijke vooringenomenheid. Weet dat in praktisch alle zaken die zij de afgelopen jaren van mijn klanten heeft behandeld, zij het onderspit moesten delven: de gebruikelijke vorderingen werden kort-botweg op een bijna gestandaardiseerde wijze niet-ontvankelijk c.q. ongegrond verklaard. Nota bene -in mijn opinie- in strijd met de vigerende wetgeving, heersende jurisprudentie én recente literatuur. Zal ik u een overzicht daarvan nazenden? Aldus ontstond een grote stroom van zaken naar het Gerechtshof Den Haag. Zonde van alle hieraan bestede tijd, energie, inspanningen én gemaakte (on)kosten. Tussenoplossing: aanstaande donderdag alsnog digitaal -via Teams-met voorkeur een andere rechter erop! Akkoord?”

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Naar de wrakingskamer uit het wrakingsverzoek begrijpt is verzoeker van mening dat de rechter vooringenomen is omdat er geen andere datum is bepaald voor de zitting in de hoofdzaak, terwijl bekend was dat de gemachtigde van verzoeker absoluut verhinderd was op deze datum.
3.3.
Een beslissing om een zitting al dan niet naar een andere datum te verplaatsen is een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de (tussen)beslissing, niet toewijsbaar is.
3.4.
De verder aangevoerde stelling, dat de klanten van de gemachtigde van verzoeker in praktisch alle zaken die de rechter de afgelopen jaren van hen heeft behandeld het onderspit moesten delven, omdat de gebruikelijke vorderingen kort-botweg op een bijna gestandaardiseerde wijze niet-ontvankelijk c.q. ongegrond werden verklaard, is naar het oordeel van de wrakingskamer onvoldoende geconcretiseerd om een grond voor wraking van de rechter te kunnen zijn. Daarbij geldt dat uit het enkele feit dat een rechter eerder een of meerdere voor klanten van de gemachtigde ongunstige uitspraken heeft gedaan, geen vooringenomenheid kan worden afgeleid (vgl. HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8280). Ook daarom is het wrakingsverzoek niet toewijsbaar.
3.5.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn gemachtigde;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.