ECLI:NL:RBDHA:2024:3953
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming
De rechtbank Den Haag heeft op 21 maart 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag.
Tijdens de procedure werd door de staatssecretaris meegedeeld dat eiser sinds 31 januari 2024 als met onbekende bestemming (MOB) was geregistreerd door het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). Dit leidde tot de vraag of eiser nog procesbelang had bij de behandeling van zijn beroep.
De rechtbank volgde de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat een vreemdeling die vertrekt zonder zijn verblijfplaats bekend te maken, in principe geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met zijn cliënt, maar vond de periode van MOB-registratie te kort om het procesbelang uit te sluiten. De rechtbank oordeelde echter dat de duur van de MOB-registratie niet relevant is en dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter G.H.W. Bodt en griffier T.J. Engberts.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.