Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 13 juni 2023 voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De staatssecretaris bevestigde de ontvangst maar nam niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen een besluit, ondanks verlenging met drie maanden. Eiser stelde de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke op 14 december 2023 en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist. De rechtbank vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit en draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Vanwege bijzondere omstandigheden, zoals grote achterstanden bij nareisaanvragen, wordt een termijn van vier weken gesteld.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat de termijn wordt overschreden. Tevens wordt een bestuurlijke dwangsom van €1.442 vastgesteld wegens overschrijding van de termijn van 42 dagen na ingebrekestelling. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van €418,50. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe vanwege betalingsonmacht van eiser.