ECLI:NL:RBDHA:2024:4344

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2024
Publicatiedatum
28 maart 2024
Zaaknummer
NL24.1574
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 Vwparagraaf A5/6.12 Vreemdelingencirculaire 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens schending inspanningsverplichting tijdens strafdetentie

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, zat van 23 december 2023 tot 12 januari 2024 een onherroepelijke gevangenisstraf uit. Verweerder kende de einddatum van deze strafdetentie en was verplicht om de overdracht van eiser te regelen om onnodige bewaring te voorkomen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder pas na de inbewaringstelling is begonnen met het regelen van de feitelijke overdracht, ondanks dat er al een claimakkoord en overdrachtsbesluit bestonden. Dit leidde tot een onnodig lange bewaring, wat een schending van de inspanningsverplichting inhoudt.

Hoewel een schending niet automatisch onrechtmatigheid betekent, weegt de belangenafweging uit in het voordeel van eiser, omdat verweerder geen tegenbelangen heeft gesteld en de overdracht aan Duitsland reeds was voorbereid. De bewaring was daarom onrechtmatig vanaf het moment van opleggen.

De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor twaalf dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, bestaande uit verblijf in een politiecel en detentiecentrum, ter hoogte van €1.230,-. Tevens worden de proceskosten van €1.750,- aan verweerder opgelegd.

Het beroep wordt gegrond verklaard en eiser is inmiddels overgedragen aan Duitsland, waardoor invrijheidstelling niet meer mogelijk is.

Uitkomst: De bewaring was onrechtmatig wegens schending van de inspanningsverplichting en eiser ontvangt een schadevergoeding van €1.230.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1574

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[V-Nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 23 januari 2024 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3.1.
Eiser voert aan dat verweerder zijn inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie heeft geschonden. Ingevolge paragaaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Verweerder had al tijdens de strafdetentie moeten en kunnen aanvangen met het regelen van de overdracht. Verweerder heeft dat niet gedaan, zodat de bewaring onnodig lang heeft geduurd, aldus eiser.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Uit het dossier blijkt dat eiser van 23 december 2023 tot 12 januari 2024 een onherroepelijke gevangenisstraf heeft uitgezeten en dat verweerder al voor de tenuitvoerlegging daarvan op de hoogte was van de einddatum van de strafdetentie. Gedurende die hele periode bestond daarom voor verweerder de inspanningsverplichting om de inbewaringstelling te voorkomen dan wel zo kort mogelijk te houden. Verweerder heeft in die periode een brief gestuurd naar de Duitse autoriteiten, waarin is medegedeeld dat de overdrachtstermijn met ten hoogste twaalf maanden is verlengd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank geen handeling die van belang was voor de feitelijke overdracht. Verweerder heeft gedurende de strafrechtelijke detentie dus niet gewerkt aan eisers overdracht. Eiser betoogt daarom terecht dat sprake is van een schending van de inspanningsverplichting.
3.3.
Een schending van de inspanningsverplichting betekent niet dat de maatregel van bewaring alleen daarom al onrechtmatig is. Er is namelijk nog ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat deze belangenafweging in het voordeel van eiser uitvalt. Daarbij is van belang dat verweerder geen belangen heeft gesteld en ook dat het claimakkoord van Duitsland dateert van 11 augustus 2023 en dat op 21 september 2023 een overdrachtsbesluit is genomen. Verweerder restte dus niets anders dan het regelen van de feitelijke overdracht aan Duitsland. Door daarmee pas een aanvang te maken toen eiser in bewaring was gesteld heeft de bewaring onnodig lang geduurd. Eisers belang bij invrijheidstelling weegt daarom zwaarder dan verweerders belang bij overdracht aan Duitsland. Omdat eiser op de dag van de zitting is overgedragen aan Duitsland, dus nog vóór het sluiten van het onderzoek in deze procedure, is het gelasten van eisers invrijheidstelling echter niet meer mogelijk.
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet te worden besproken.
5. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor twaalf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van
1. x € 130,- (verblijf politiecel) en 11 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.230,-.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.230,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.