ECLI:NL:RBDHA:2025:966
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding vreemdeling
Eiser, een Poolse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 11 januari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd later opgeheven vanwege zijn uitzetting naar Polen. Eiser stelde dat het verwijderingsbesluit was uitgewerkt en dat de bewaring onrechtmatig was, mede vanwege een overschrijding van de maximale ophoudduur en een onvoldoende informatieverstrekking.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen rechtmatig verblijf had en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk had beëindigd. De gronden voor bewaring waren feitelijk juist en voldoende. De overschrijding van de ophoudduur werd niet als onrechtmatig beoordeeld omdat de bewaring binnen de toegestane termijn begon. De informatieplicht was nog niet geschonden omdat de termijn voor aanpassing van de werkwijze nog niet was verstreken.
Verder werd geoordeeld dat verweerder zijn inspanningsverplichting had nageleefd door tijdig de uitzetting voor te bereiden. De ambtshalve toets bevestigde dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.