Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
verwijzingsuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Procesverloop
Overwegingen
moetworden verleend, biedt artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit de mogelijkheid aan de lidstaten om overeenkomstig de facultatieve bepaling van artikel 7 van Pro de Richtlijn Tijdelijke Bescherming het Uitvoeringsbesluit ook toe te passen op andere personen. Onder wie staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven en die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren (veilig thuislandtoets). [15]
M.G. en N.R.en
Boudjlida. [26] Hij had moeten worden bevraagd over elementen in verband met de artikelen 3 en 8 van het EVRM. [27] Ook had de staatssecretaris de aangevoerde individuele omstandigheden moeten beoordelen. Eiser heeft onder meer gewezen op de omstandigheid dat hij hier al lang werk heeft en zijn werkgever hem graag wil behouden. De staatssecretaris heeft tot slot ten onrechte niet aan het evenredigheidsbeginsel getoetst.
Gnandi [30] van het Hof van Justitie, waarin is overwogen dat meteen na een afwijzing (van een verzoek om internationale bescherming) of samen daarmee in één administratieve handeling een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. De Advocaat-Generaal gaat in de Aanvullende Conclusie van 22 februari 2018 [31] in deze zaak van eenzelfde opvatting uit. In overweging 49 stelt Advocaat-Generaal Mengozzi met zoveel woorden dat derdelanders die niet illegaal op het grondgebied verblijven of onder één van de uitzonderingen vallen, in beginsel van de procedures van die richtlijn zijn uitgesloten zolang de redenen van uitsluiting blijven bestaan. Ook het arrest
Arslan [32] , dat de Advocaat-Generaal meerdere malen aanhaalt, lijkt in deze richting te wijzen. Uit de overwegingen 48 en 49 van dat arrest kan worden afgeleid dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op een derdelander zolang deze nog rechtmatig op het grondgebied van de lidstaat verblijft.
TQ . [33]
Duitsland tegen de Raad [36] overweegt Advocaat-Generaal Szpunar dat wanneer en voor zover de Europese Unie gebruik maakt van haar bevoegdheid om wetgevend op te treden en juridisch bindende handelingen op een gebied vast te stellen, de lidstaten niet meer kunnen optreden. In de Conclusie in de
Adviesprocedure 2/15 [37] licht Advocaat-Generaal Sharpston dit voorrangsbeginsel als volgt toe:
“elke bevoegdheid die op een gedeeld gebied wordt uitgeoefend wordt ofwel door de Europese Unie uitgeoefend ofwel door de lidstaten. Iets ertussenin is geen optie.”Uit artikel 4, tweede lid, aanhef en onder j en artikel 77 van Pro het VWEU volgt dat asiel en immigratie een gebied is van gedeelde bevoegdheid van zowel de Europese Unie als de lidstaten. Dit betekent dat als de Europese Unie op het gebied van asiel en immigratie haar bevoegdheid uitoefent, dat de lidstaten op de door de Europese Unie geregelde materie niet meer kunnen handelen.
krachtens de richtlijn.
“Other categories of persons who are offered temporary protection by the Member States should be subject to the same rules as those coming under European legislation.” [38] De toevoeging volgde op een discussie over het voorstel van de Commissie, waarbij de Duitse delegatie zich afvroeg of de overige bepalingen van de richtlijn, waaronder die met betrekking tot de duur, van toepassing zijn als de lidstaten uitvoering geven aan artikel 7 van Pro de richtlijn. De Ierse delegatie wilde aan de bepaling toevoegen dat het nationale recht van toepassing is als de lidstaten op grond van de facultatieve bepaling tijdelijke bescherming bieden. [39] In het door de Raad bereikte akkoord [40] is het Ierse voorstel niet overgenomen, maar is er juist voor gekozen om de woorden “krachtens deze richtlijn” aan artikel 7 van Pro de Richtlijn Tijdelijke Bescherming toe te voegen. Deze zinsnede is ook in de definitieve versie van de richtlijn opgenomen.
allebegunstigden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming gebruik gemaakt van de bevoegdheid ten aanzien van de duur van de tijdelijke bescherming en het beëindigingsregime.
de Raadde tijdelijke bescherming in eerste instantie heeft geactiveerd. De facultatieve bepaling ziet juist op groepen die door
de lidstatenworden geactiveerd, in het geval van Nederland dus de groep derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne die vóór 19 juli 2022 zijn binnengekomen.
procedure préjudicielle accélérée) te behandelen. Naar het oordeel van de rechtbank vereist de aard van deze zaak een behandeling binnen korte termijnen, zoals bedoeld in artikel 105, eerste lid, van het Reglement voor de Procesvoering van het Hof van Justitie. [45] De reden hiervoor is dat langdurige onzekerheid over de uitkomst, het functioneren kan belemmeren van het door het Unierecht ingestelde systeem van tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [46]