Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder,
de Staat der Nederlanden, de Minister voor Rechtsbescherming, de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
“Artikel 2 Belastbaar Pro feit
Artikel 5 Tarieven Pro
Art.
Voorlopige realisatie
Geschil
- Voor de raming zijn verschillende, tegenstrijdige berekeningen gehanteerd waarbij gelijkluidende posten voor verschillende bedragen zijn opgenomen maar de uitkomst desondanks steeds dezelfde is.
- De door de gemeente gehanteerde ramingssystematiek op basis van een gewogen gemiddelde van de afgelopen jaren (2x 2016 en 1x 2017) is ongeschikt en in strijd met interne rapporten en daaruit volgende voorschriften.
- De opbrengst uit kleine- en middelgrote bouwplannen had redelijkerwijs niet mogen worden geraamd op € 4,2 mln., omdat het gewogen gemiddelde van de afgelopen jaren € 6,53 mln. bedraagt.
- Verweerder heeft niet voldaan aan zijn plicht tot het verschaffen van inzicht in de raming van baten, omdat hij bij herhaling overgelegde informatie heeft gecorrigeerd.
- Het aantal gerealiseerde grote bouwplannen is veel groter dan het aantal dat op basis van de projectenlijst was geraamd. De geraamde opbrengst is te laag. Onderhavig project is ten onrechte niet in de raming betrokken. Realisaties worden in andere jaren verantwoord dan het jaar waarin de vergunning is aangevraagd.
- De gemeente heeft de baten voorzienbaar te laag geraamd. Gelet op de cijfers van de jaren 2016 tot en met 2019 zijn de baten structureel substantieel te laag begroot, met als gevolg dat de tarieven structureel onjuist zijn onderbouwd.
- Bij het vaststellen van de tarieven voor 2019 in november 2018 had de gemeente rekening moeten houden met een verhoogde opbrengst voor 2018.
- De correctie op de baten in verband met de ‘groene legeskorting’ had in redelijkheid niet mogen worden geraamd op € 2,5 mln. Die correctie is daarnaast ten onrechte in aanmerking genomen, omdat eventuele restituties niet uit hoofde van de Verordening maar uit hoofde van de ‘Regeling groene leges’ worden verstrekt.
- De correctie op de baten in verband met de 5%-tariefsverlaging zou € 0,7 mln. moeten bedragen en is, ook na de correctie door verweerder, nog € 125.000 te hoog vastgesteld.
- De correctie op de baten in verband met de eliminatie van de omzetbelasting uit de legesgrondslag is circa € 0,6 mln. te hoog vastgesteld.
- De hoogte van de correctie op de baten in verband met verminderingsbesluiten is niet onderbouwd.
- De kosten voor huisnummering zijn geen lasten ter zake, omdat die kosten onvoldoende verband houden met de toetsing van omgevingsvergunningaanvragen.
- Ondanks verzoeken daartoe zijn de kosten voor Haaglanden Brandweer niet gespecificeerd, waardoor ze buiten aanmerking moeten blijven.
- De kosten voor digitalisering van het bouwarchief zijn geen lasten ter zake, omdat die kosten onvoldoende verband houden met het in behandeling nemen van nieuwe vergunningaanvragen.
- De kosten voor de ‘groene legeskorting’ zijn geen lasten ter zake, omdat die kosten verband houden met een vrijstelling.
- Het totaal van lasten ter zake is onrealistisch hoog geraamd; er zijn fors minder kosten gemaakt dan verwacht terwijl een vergelijkbaar onderscheidenlijk hoger aantal bouwaanvragen is ingediend.
- De heffingsgrondslag voldoet niet aan de kenbaarheidseisen omdat de definitie van bouwkosten in de Tarieventabel onduidelijk is. Dit is in strijd met artikel 217 van Pro de Gemeentewet en het legaliteitsbeginsel.
- De Verordening geeft geen rekenmethodiek ter bepaling van de bouwkosten. Daarnaast kan de hoogte van de leges mogelijk niet op of vóór het ontstaan van de materiële belastingschuld worden bepaald omdat wordt gesproken over “kosten die voortvloeien uit de aangegane verplichtingen”.
- De Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR) bepaalt wanneer de ‘groene legeskorting’ kan worden toegepast en dus mede de omvang van de verschuldigde leges. Omdat de GPR niet openbaar toegankelijk is en niet ter inzage is gelegd, is de kenbaarheidseis geschonden.
- Ook indien de hoogte van de bouwkosten niet ter discussie is gesteld, dient de heffingsmaatstaf door de rechter te worden getoetst aan de kenbaarheidseis en het legaliteitsbeginsel. Beoordeeld dient namelijk te worden of de heffingsmaatstaf juist is.
- De verschillende berekeningen van de ramingen dienen verschillende doelen en zijn niet tegenstrijdig.
- De raming van de opbrengst is opgesteld op basis van een lijst van op dat moment concrete (grote) projecten, aangevuld met een stelpost die is afgeleid uit de gemiddelde gerealiseerde opbrengst van voorgaande jaren. Daarbij wordt het voorzichtigheidsprincipe gehanteerd. De ramingssystematiek is conform de aanbevelingen uit de doelmatigheidsonderzoeken.
- De geraamde opbrengst uit kleine- en middelgrote bouwplannen bedraagt niet € 4,2 mln. maar € 4,7 mln. en dat is niet te laag. De afwijking tussen € 6,53 mln. en € 4,7 mln. is te wijten aan de daling van het legestarief voor kleine bouwplannen met een bouwsom tot € 250.000. Verhoging van de geraamde opbrengst uit kleine- en middelgrote bouwplannen tot € 6,53 mln. zou daarnaast geen invloed hebben op de raming van totale baten, omdat die raming is opgesteld op basis van de projectenlijst aangevuld met een stelpost.
- Het corrigeren van cijfers tijdens een procedure betekent niet dat onvoldoende inzicht is gegeven in de ramingen, en ook niet dat de huidige beschikbare informatie onjuist is. Eiseres draagt op dit punt de bewijslast.
- Bij de raming op basis van de projectenlijst wordt rekening gehouden met de te verwachten kans van indiening in een bepaald jaar. Voor 2019 is rekening gehouden met 35 concrete projecten die op dat moment bekend waren. Projecten die ten tijde van de raming nog onvoldoende concreet waren of waarvan de indiening in een ander jaar dan 2019 werd verwacht, zijn niet meegenomen.
- De ramingen zijn niet onredelijk. Er zijn verschillende (tarief)maatregelen getroffen om meeropbrengsten te voorkomen. Het is toegestaan om voorzichtig te ramen. Meeropbrengsten zijn ook nooit in de algemene middelen gestort, maar in een voorziening.
- De correctie op de baten in verband met de ‘groene legeskorting’ is gebaseerd op 500 bouwplannen met een gemiddelde legesvermindering van € 5.000; dat er weinig gebruik van deze regeling zou worden gemaakt was op het moment van het opstellen van de raming niet voorzienbaar. Ten tijde van de raming waren er nog geen betrouwbare ervaringscijfers beschikbaar. Restituties op grond van de ‘groene legeskorting’ worden verstrekt uit hoofde van de Verordening, omdat de Tarieventabel in die mogelijkheid voorziet.
- Anders dan eiseres stelt, kan de 5%-tariefsverlaging ook van invloed zijn bij toepassing van de ‘groene legeskorting’. De geraamde opbrengst zou hooguit moeten worden verhoogd met € 30.000.
- De correctie op de baten in verband met verminderingsbesluiten is geraamd op basis van ervarings- en realisatiecijfers. De ramingen van terugbetalingen werden jarenlang ver overschreden.
- De kosten voor huisnummering betreffen uitsluitend kosten in het kader van het vergunningenproces. Deze kosten hebben geen betrekking op straatnaamgeving.
- Van de totale kosten voor Haaglanden Brandweer is € 960.000 toegerekend aan omgevingsvergunningaanvragen en € 500.000 aan andere zaken. Laatstgenoemd bedrag wordt bekostigd uit de algemene middelen.
- De kosten voor digitalisering van het bouwarchief zijn lasten ter zake, omdat die kosten nodig zijn voor de (digitale) afdoening van omgevingsvergunningaanvragen. Deze kosten zijn vergelijkbaar met de eveneens toerekenbare kosten van de GBA.
- De ‘groene legeskorting’ betreft geen vrijstelling maar een voorwaardelijke vermindering, zodat kosten voor aanvragen daarvan kunnen worden toegerekend aan de Verordening.
- Dat de gerealiseerde lasten in 2019 fors lager uitkwamen dan de raming, heeft te maken met twee incidentele meevallers: (i) een vrijval uit de voorziening dubieuze debiteuren van € 2,4 mln. en (ii) een voordeel op het project digitalisering bouwdossier van € 0,7 mln.
- Aan de kenbaarheidsvereisten wordt voldaan. Het begrip ‘bouwkosten’ is in de verordening conform de NEN-norm gedefinieerd. Uit rechtspraak volgt dat het begrip ‘bouwkosten’ reeds op zichzelf duidelijk is en voldoende is gedefinieerd. Op de website van de gemeente is voorts een rekenmodule beschikbaar. Er is voldoende duidelijkheid over de hoogte van de heffingsmaatstaf, zodat van strijd met het legaliteitsbeginsel of enig ander rechtsbeginsel geen sprake is.
- De term “aangegane verplichtingen” moet worden gelezen als de verplichtingen die je denkt te moeten aangaan om het gebouw te realiseren.
- Eventuele gebreken in de kenbaarheid van de Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR) kunnen niet leiden tot (i) onverbindendheid van de Verordening of (ii) aanpassing van de opbrengstraming. Indien de opbrengstraming wel zou worden aangepast, blijft de kostendekkendheid onder de 100%.
- Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.149;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 851;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 109,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 109,50;
- draagt verweerder op € 182,50 van het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden;
- draagt de Staat op € 182,50 van het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.