Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 19 november 2025
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Feiten
De bouwwerkzaamheden
- een gespecificeerd overzicht van de baten- en lastentoerekening ten behoeve van de Legsverordening omgevingsvergunning 2013 gebaseerd op de basisbegrotingen voor de kalenderjaren 2017, 2018 en 2019;
- de projectenlijsten grote bouwplannen bouwsom meer dan € 1.000.000,00 voor de basisbegrotingen 2017, 2018 en 2019; en
- de publicatie van de Legesverordening omgevingsvergunning 2013 voor het kalenderjaar 2019 waarop de aanslag is gebaseerd.
“Afdeling 1 Begripsomschrijvingen
Afdeling 2 Omgevingsvergunning
Oordeel van de Rechtbank
Opbrengstnorm
Proceskosten
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
- De door de gemeente gehanteerde ramingssystematiek op basis van een meerjarig gemiddelde van de drie voorafgaande jaren leidt, zoals ook blijkt uit het Doelmatigheidsonderzoek 2011 van de gemeente Den Haag, tot onbetrouwbare ramingen.
- De baten zijn gelet op de gerealiseerde baten structureel te laag geraamd sinds 2013. Op basis van de beschikbare cijfers en gegevens over de ontwikkeling van de economie en de bouwkosten hadden de baten voor 2019 niet in redelijkheid op het betreffende bedrag geraamd kunnen worden.
- De bijstelling naar beneden van de geraamde legesopbrengsten wegens vermindering van de leges voor duurzame bouwplannen van € 2,5 miljoen was niet realistisch. De Regeling vermindering leges stelde veel strengere eisen aan de bouwplannen dan die in het Bouwbesluit. Er is dan ook niet meer dan € 0,2 miljoen aan verminderingen verleend in 2018, € 0,3 miljoen in 2019, € 0,125 miljoen in 2020 en € 0,431 miljoen in 2021.
- Uit het ‘Overzicht gerealiseerde legesinkomsten 2013-2023’ (zie onder 2.8) blijkt dat de gemeente goed erin is geslaagd om de grote overschrijdingen van de geraamde legesopbrengsten terug te dringen. Uit dit overzicht blijkt dat de baten niet structureel te laag zijn geraamd en ook niet structureel de lasten overtreffen.
- Het ramen van de lasten en baten in een toekomstig jaar is lastig, met veel ten tijde van de raming onbekende en niet te beïnvloeden factoren. Daarom heeft de Hoge Raad ook beslist dat een gemeente bij het ramen voorzichtig mag zijn, waarbij de Heffingsambtenaar verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780. De gemeente heeft zich ingespannen om de baten en de lasten ter zake van het jaar 2019 zo goed mogelijk te ramen.
- De gemeente werkt doorgaans met een driejarengemiddelde van gerealiseerde baten en lasten voor een initiële raming van de baten en lasten van het betreffende jaar. Daarbij wordt gebruik gemaakt van realisatiecijfers die bekend zijn ten tijde van het maken van de raming. Voor 2019 zagen de meest recente realisatiecijfers op de jaren 2015-2017. Voor 2019 is echter niet uitgegaan van de gemiddelde realisatie over de jaren 2015-2017, maar is het gemiddelde genomen van tweemaal de realisatie over 2016 en eenmaal de realisatie over 2017. Dit heeft de gemeente gedaan, omdat in 2015 beduidend lagere baten zijn gerealiseerd en de batenraming voor 2019 hierdoor onredelijk laag zou uitkomen.
- Naast het meerjarengemiddelde wordt gebruikgemaakt van een grote-projectenlijst, waarin de gemeente continu monitort welke grote projecten er verwacht worden en met welke mate van zekerheid de aanvragen zullen binnenkomen. Daarbij is veel onzeker. Na het zomerreces wordt de grote-projectenlijst in augustus/september een laatste keer beoordeeld op juistheid en compleetheid vóórdat deze wordt gebruikt voor het maken van de raming van baten en lasten. Als er veel grote projecten op de grote-projectenlijst staan is dat een reden om de raming op basis van het gemiddelde over drie eerdere jaren naar boven bij te stellen. Als er heel weinig projecten op de grote-projectenlijst staan, is er reden om de raming op basis van het gemiddelde over drie eerdere jaren naar beneden bij te stellen. Toen de legesopbrengsten voor 2019 werden geraamd, leken zich in dat jaar echter geen uitschieters naar boven of beneden te zullen voordoen.
- Ten tijde van het maken van de begroting waren er nog nauwelijks ervaringscijfers beschikbaar en was niet te voorzien dat in 2019 weinig gebruik gemaakt zou gaan worden van de Regeling vermindering leges. De gemeente heeft bij het maken van de raming wel geconstateerd dat er in de eerste helft van 2018 weinig verminderingsaanvragen zijn gedaan, maar heeft ingeschat dat in de tweede helft van 2018 meer aanvragen zouden binnenkomen, onder andere in verband met de invoering van de Omgevingswet. Op belanghebbendes aanvraag om legesvermindering op grond van de Regeling vermindering leges is inmiddels positief beslist.
- Ten tijde van het maken van de begroting was nog geen sprake van sterk gestegen bouwkosten. Volgens CBS-cijfers was de stijging in 2018, ten tijde van de raming, 2,5%. Ten tijde van het opstellen van de basisraming waren 35 concrete projecten bekend. Daarvan zijn op dat moment de actuele bouwkosten geraamd.
- De gemeente heeft steeds gemonitord of de ramingen nog aansluiten bij de realisatie en tijdig tariefmaatregelen getroffen indien de opbrengstnorm overschreden dreigde te worden. Voor 2019 zijn de volgende tariefmaatregelen getroffen:
- Het gaat erom dat bij de behandeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning de oude kaarten van de omgeving, oude bouwplannen, eerder verleende vergunningen en dergelijke niet hoeven te worden opgezocht op papier. Door digitalisering van het archief is het beoordelen van een vergunningaanvraag makkelijker. Deze post houdt meer dan zijdelings verband met de dienstverlening in het kader van de behandeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning en mag daarom worden verhaald middels de leges;
- In de lastenraming is ten onrechte nog geen rekening gehouden met de omzetbelasting. De omzetbelasting over de directe kosten bedraagt € 191.000 en die post mag extracomptabel worden toegerekend aan de legeskosten gelet op art. 229b, lid 2, letter b, van de Gemeentewet.
Proceskosten en griffierecht
- € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het horen à € 647 per punt x 1 (factor voor het gewicht van de zaak));
- € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting à € 907 per punt x 1 (factor voor het gewicht van de zaak)), en
- € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor de zitting à € 907 per punt x 1 (factor voor het gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 4.922.
Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de veroordelingen van de Heffingsambtenaar en de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een bedrag aan leges van € 783.157,34;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep aan de zijde van belanghebbende, tot een gedeelte van € 1.554;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, tot een gedeelte van € 3.368;
- gelast de Heffingsambtenaar en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) aan belanghebbende het in beroep betaalde griffierecht te vergoeden, elk voor een bedrag van € 182,50; en
- gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden,
- welke genoemde vergoedingen dienen te worden verhoogd met wettelijke rente, te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.