ECLI:NL:RBDHA:2024:4516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
2 april 2024
Zaaknummer
NL24.10649
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6:5 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbreken terugkeerbesluit

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 2 april 2024 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening in een vreemdelingenrechtelijke zaak. Verzoeker heeft een verzoek ingediend zonder het besluit waarop het geschil betrekking heeft, namelijk het terugkeerbesluit, te overleggen. De rechtbank heeft verzoeker hierom verzocht dit binnen een week te herstellen.

Verzoeker overlegde een brief van de staatssecretaris van 8 februari 2024 waarin werd medegedeeld dat verzoeker onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming viel tot 4 maart 2024 en dat hij daarna een nieuw terugkeerbesluit zou ontvangen. Verzoeker gaf aan dit besluit niet te hebben ontvangen vanwege verkeerde adressering door de staatssecretaris. De staatssecretaris bevestigde dat na de brief van 8 februari 2024 geen verdere stukken aan het dossier zijn toegevoegd.

Gezien het ontbreken van het terugkeerbesluit concludeert de voorzieningenrechter dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat het verzoek niet inhoudelijk wordt beoordeeld en dat er geen proceskostenveroordeling volgt. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter F. Sijens en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10649

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2.1.
Bij het verzoekschrift is het besluit waarop het verzoek betrekking heeft niet overgelegd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 19 maart 2024 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen.
2.2.
Verzoeker heeft binnen die termijn een brief van de staatssecretaris van 8 februari 2024 overgelegd, waarin is medegedeeld dat verzoeker tot en met 4 maart 2024 onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt en dat hij voor die tijd een nieuw terugkeerbesluit krijgt. De gemachtigde van verzoeker heeft schriftelijk toegelicht dat hij het terugkeerbesluit niet heeft ontvangen en daarbij aangegeven dat de staatssecretaris besluiten regelmatig naar zijn verkeerde kantooradres zendt.
2.3.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de rechtbank schriftelijk medegedeeld dat na de brief van 8 februari 2024 geen stukken meer zijn toegevoegd aan het dossier van verzoeker.
2.4.
Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat een terugkeerbesluit, naar aanleiding waarvan een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan, ontbreekt. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.