ECLI:NL:RBDHA:2024:4798
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor discriminatie en mishandeling in Turkije
Eiser, van Turkse nationaliteit en Koerdische etniciteit, vroeg asiel aan in Nederland op grond van vermeende discriminatie en strafrechtelijke vervolging in Turkije. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar op.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn Koerdische achtergrond een gegronde vrees voor vervolging of mishandeling heeft. De rechtbank acht de verklaringen over mishandelingen in detentie onvoldoende onderbouwd en concludeert dat verweerder terecht geen aanvullend gehoor heeft gehouden.
Verder acht de rechtbank de tegenstrijdigheden in het asielrelaas voldoende reden voor de kennelijk ongegronde verklaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.