ECLI:NL:RVS:2024:4352
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens kennelijke ongegrondheid
De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, diende op 8 oktober 2022 een asielaanvraag in met het argument dat hij vanwege zijn Koerdische etniciteit werd gediscrimineerd en risico liep op gevangenisstraf bij terugkeer naar Turkije. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, als kennelijk ongegrond, legde een vertrektermijn van nul dagen op en vaardigde een inreisverbod uit.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Raad van State oordeelt in hoger beroep dat de minister alle relevante elementen van het asielrelaas geloofwaardig heeft geacht. Volgens de Afdeling kan de aanvraag daarom niet als kennelijk ongegrond worden afgewezen, omdat daarvoor sprake moet zijn van kennelijk valse, tegenstrijdige of onwaarschijnlijke verklaringen die alle overtuigingskracht ontnemen.
Verder was het onterecht dat de minister de vreemdeling geen vertrektermijn gaf, waardoor ook de grondslag voor het inreisverbod ontbreekt. De Raad van State vernietigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en beveelt dat de minister een nieuw besluit neemt waarbij het asielrelaas integraal wordt beoordeeld zonder toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen zonder toepassing van artikel 30b.