ECLI:NL:RBDHA:2024:5177
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting wegens ontbreken rechtmatig verblijf op grond van EU-recht
Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Marokko en verzocht om een voorlopige voorziening. De staatssecretaris had een terugkeerbesluit en een in rechte vaststaand asielbesluit genomen, waarop de uitzetting was gebaseerd.
Verzoeker stelde dat zijn aanvraag om toetsing aan het EU-recht procedureel rechtmatig verblijf opleverde, waardoor hij niet uitgezet mocht worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat dit niet het geval was omdat verzoeker niet concreet een beroep had gedaan op artikel 20 VWEU Pro en geen bewijs had geleverd dat hij familielid is van een Unieburger, zoals vereist.
Daarnaast was er voldoende aanleiding om te vermoeden dat verzoeker misbruik maakte van procesrecht door de aanvraag pas na het vertrekgesprek in te dienen en door een niet-meewerkende houding. Ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd was niet aantoonbaar.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen reden was om de rechtmatigheid van de uitzetting te betwijfelen en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting is afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en misbruik van procesrecht.