ECLI:NL:RBDHA:2024:5191
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne
De verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, had verzocht om opschorting van de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming, nadat de staatssecretaris dit verzoek op 20 maart 2024 had afgewezen. De staatssecretaris stelde dat het recht op tijdelijke bescherming van verzoeker van rechtswege op 4 maart 2024 eindigde, conform een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen zou behouden. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond was en wees het toe zonder zitting, op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.
De voorzieningenrechter baseerde zijn oordeel mede op recente voorlopige voorzieningen van de Afdeling bestuursrechtspraak, waarin werd bepaald dat de betrokken vreemdelingen niet worden uitgezet en behandeld moeten worden alsof de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van toepassing is, totdat op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter achtte het niet passend om in deze procedure een voorlopig oordeel te geven over het besluitkarakter van de brief van 20 maart 2024.
De voorlopige voorziening houdt in dat verzoeker voorlopig niet hoeft te vertrekken uit Nederland, zijn recht op opvang behoudt en mag blijven werken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 875,- voor de door verzoeker gemaakte kosten voor rechtsbijstand.
Uitkomst: Verzoeker behoudt voorlopig zijn tijdelijke bescherming, opvang en werkrecht totdat op het beroep is beslist.