ECLI:NL:RBDHA:2024:5235
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met een vergelijkbare zaak op 12 februari 2024 behandeld.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht geen medisch advies heeft gevraagd, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat eiser door traumatische ervaringen niet volledig kon verklaren. Ook is vastgesteld dat de voorbereidingsprocedure zorgvuldig is verlopen, ondanks het gebruik van standaardoverwegingen in het voornemen, omdat eiser gelegenheid heeft gehad om een zienswijze in te dienen.
Verder is geoordeeld dat de informatieplicht van de staatssecretaris niet is geschonden, aangezien eiser voldoende informatie over de Dublinprocedure heeft ontvangen en de mogelijkheid had om vragen te stellen en bezwaren te uiten. Ten slotte mag de staatssecretaris uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen nakomt, en heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.