ECLI:NL:RBDHA:2024:527
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvraag wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Deze aanvraag werd afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijk gestelde termijn van drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent was ingediend.
Eiser voerde aan dat de termijn niet uit het Unierecht volgt en dat de verschoonbaarheidseis niet mag worden gesteld. Subsidiair stelde hij dat er bijzondere omstandigheden waren, zoals het niet op de hoogte zijn van de termijn door de referent, taalbarrière, zwangerschap en de coronapandemie. De rechtbank oordeelde echter dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vertraging niet aan de referent kon worden toegerekend.
De rechtbank bevestigde dat de drie maanden termijn conform het nationale recht en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU mag worden gesteld en dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding is ongegrond verklaard.