ECLI:NL:RBDHA:2024:5432

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2024
Publicatiedatum
16 april 2024
Zaaknummer
NL24.15677
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 4 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning voorlopige voorziening tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne

Verzoeker, een derdelander met tijdelijke verblijfsrecht in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming na de oorlog in Oekraïne. De staatssecretaris heeft op 20 februari 2024 medegedeeld dat deze bescherming per 4 maart 2024 eindigt, waardoor verzoeker niet meer mag werken zonder vergunning en geen recht meer heeft op opvang.

Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg gelijktijdig om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het onduidelijk is of de tijdelijke bescherming daadwerkelijk is geëindigd en dat verzoeker daarom voorlopig gelijk behandeld moet worden met andere derdelanders die onder de Richtlijn vallen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek toe, waardoor verzoeker voorlopig in Nederland mag blijven, recht houdt op opvang en mag werken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €875,-. De uitspraak is zonder zitting gedaan vanwege spoedeisendheid en is onherroepelijk.

Uitkomst: Verzoeker behoudt tijdelijke bescherming en mag blijven werken en verblijven totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15677

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 april 2024 in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1
Verzoeker behoort tot de groep derdelanders met een tijdelijke verblijfsrecht in Oekraïne die na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne naar Nederland zijn gevlucht en hier tijdelijke bescherming kregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [1]
1.2.
Op 20 februari 2024 heeft de staatssecretaris aan verzoeker medegedeeld dat deze tijdelijke bescherming van rechtswege op 4 maart 2024 eindigt en dat hij vanaf die datum niet meer onder de Richtlijn Tijdelijke bescherming valt. Verzoeker mag daarom na die datum niet meer werken zonder tewerkstellingsvergunning en heeft geen recht meer op gemeentelijke opvang. Wel mag hij zijn lopende asielprocedure in Nederland afwachten.
1.3.
Verzoeker heeft beroep ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Als tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3]
3. De voorzieningenrechter overweegt dat het op dit moment onduidelijk is of de tijdelijke bescherming van derdelanders zoals verzoeker per 4 maart 2024 is geëindigd. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 april 2024. [4] Dat betekent dat op dit moment onduidelijk is welke rechten verzoeker nog heeft en ook op welke wijze hij die rechten kan effectueren. Voor de voorzieningenrechter is dit reden om het verzoek toe te wijzen en te bepalen dat verzoeker de tijdelijke bescherming behoudt totdat op het door hem ingestelde beroep is beslist. Dit komt ook overeen met de voorlopige voorziening zoals die op 2 april 2024 door de voorzitter van de Afdeling is getroffen en betekent dat derdelanders zoals verzoeker gelijk worden behandeld.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe. Het treffen van de voorlopige voorziening betekent dat verzoeker voorlopig niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang in Nederland behoudt en dat hij in Nederland mag blijven werken.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst ziet hij aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- bepaalt dat verzoeker wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022.
2.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.