Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De beroepsgrond slaagt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Oegandese staatsburger, arriveerde op 17 maart 2024 op Schiphol met een geldig paspoort, Schengenvisum voor Denemarken en een vliegticket voor doorreis naar Aalborg. Hem werd de doorreis naar Denemarken geweigerd vanwege twijfel aan de geldigheid van zijn visum, waarna hij een aanvraag asielvergunning indiende om terugkeer naar Oeganda te voorkomen.
Verweerder legde op grond van artikel 6, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel op met de conclusie dat eiser op basis van de Dublinverordening aan Denemarken kon worden overgedragen. Verweerder stelde dat eiser Nederland niet rechtmatig was binnengekomen en zich aan toezicht zou onttrekken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had onderbouwd waarom eiser niet mocht doorreizen en dat eiser beschikte over de juiste documenten en intenties om door te reizen naar Denemarken. De zware grond voor het opleggen van de maatregel was daarom onterecht. De maatregel werd onrechtmatig geacht en opgeheven.
Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.800,- voor 18 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten van €1.750,-. Het beroep werd gegrond verklaard en de maatregel per direct opgeheven.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €1.800,-.