ECLI:NL:RBDHA:2024:5587

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2024
Publicatiedatum
18 april 2024
Zaaknummer
NL23.39832
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b, eerste lid, aanhef en onder j, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek en asielaanvraag in Duitsland

Eiser heeft tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in Nederland. Na het instellen van het beroep is eiser uit Nederland vertrokken en heeft hij in Duitsland een asielaanvraag ingediend. De Duitse autoriteiten hebben een terugnameverzoek aan Nederland gestuurd, dat is geaccepteerd.

De rechtbank beoordeelt of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. Gezien zijn vertrek en de asielaanvraag in Duitsland concludeert de rechtbank dat eiser niet langer prijs stelt op toelating tot Nederland. Dit betekent dat hij geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit.

Hoewel Nederland heeft ingestemd met het terugnameverzoek, is niet gebleken dat eiser zich momenteel in de macht van de Duitse autoriteiten bevindt of dat hij feitelijk aan Nederland zal worden overgedragen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te betalen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vertrek en asielaanvraag in Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39832

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer],
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 december 2023 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek in de zaak op zitting gesloten.

Overwegingen

4. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
5. Vaststaat dat eiser na het instellen van het beroep tegen het bestreden besluit uit Nederland is vertrokken om vervolgens in Duitsland om internationale bescherming te vragen. Eiser is op 28 februari 2024 gemeld als met onbekende bestemming vertrokken. Op 13 maart 2024 hebben de Duitse autoriteiten aan Nederland een terugnameverzoek gestuurd, dat op 27 maart 2024 door Nederland is geaccepteerd.
6. Met zijn vertrek uit Nederland en de daarop volgende asielaanvraag in Duitsland heeft eiser er naar het oordeel van de rechtbank blijk van gegeven niet langer prijs te stellen op toelating tot Nederland. Hieruit volgt dan ook dat hij geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. Dat Nederland inmiddels heeft ingestemd met een verzoek van de Duitse autoriteiten om eiser terug te nemen, leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij kan overigens nog worden opgemerkt dat niet is gebleken dat eiser zich op dit moment in de macht van de Duitse autoriteiten bevindt en dat niet vaststaat dat eiser ook feitelijk aan Nederland zal worden overgedragen.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te betalen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzitter, mr. K.M. de Jager en mr. E.F. Bethlehem, leden, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000.