ECLI:NL:RBDHA:2024:5697
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan inburgeringsvereiste
Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij haar Nederlandse echtgenoot. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste en geen ontheffing werd verleend. Ook was niet aangetoond dat de referent voldeed aan het middelenvereiste.
Eiseres voerde aan dat zij vanwege analfabetisme, beperkte cognitieve vaardigheden en de coronapandemie ontheven moest worden van de inburgeringsplicht. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om tot ontheffing te leiden, mede omdat in eerdere procedures reeds was vastgesteld dat eiseres inburgeringsplichtig is en geen nieuwe omstandigheden waren aangevoerd.
Verder stelde eiseres dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in haar voordeel moest uitvallen vanwege het gezinsleven met haar echtgenoot en diens medische situatie. De rechtbank vond dat de staatssecretaris terecht had geoordeeld dat het gezinsleven niet automatisch recht geeft op verblijf en dat er geen objectieve belemmeringen waren om het gezinsleven in Marokko voort te zetten.
Ten slotte stelde eiseres dat de hoorplicht was geschonden omdat de referent niet was gehoord. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet verplicht was om een hoorzitting te beleggen omdat de bezwaren onvoldoende aanleiding gaven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft en eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.