ECLI:NL:RBDHA:2024:5843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
NL24.17462
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 2 DublinverordeningArt. 10 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening

Verzoeker heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend, die door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Verzoeker stelde een familieband met een broer in Nederland, maar heeft deze niet met documenten kunnen onderbouwen.

De staatssecretaris heeft aangegeven dat zonder bewijs van het gezinslidmaatschap op grond van artikel 2 onder Pro g van de Dublinverordening, geen reden bestaat om de overdracht te weigeren. Ook een beroep op artikel 17, dat overdracht kan voorkomen bij onevenredige hardheid, is niet aannemelijk gemaakt.

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting uit te stellen, met het argument dat de minderjarige broer alleen in Nederland achterblijft. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat de enkele stelling van een familieband onvoldoende is onderbouwd en geen concrete aanwijzingen zijn gegeven.

De griffier heeft nog geprobeerd contact te zoeken met de gemachtigde van verzoeker om nadere onderbouwing te verkrijgen, maar dit was tevergeefs. De uitspraak is zonder zitting gedaan en er is geen mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de familieband onvoldoende is onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17462

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL24.8972.
Op 17 april 2024 heeft verzoeker een kennisgeving ontvangen waarin staat dat hij op 23 april 2024 om 11.00 uur aan de Duitse autoriteiten zal worden overgedragen.
Verzoeker heeft op 22 april 2024 om 11.36 uur de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In het bestreden besluit is de staatssecretaris ingegaan op de zienswijze van verzoeker. De staatssecretaris heeft aangegeven, voor zover verzoeker een beroep doet op artikel 10 van Pro de Dublinverordening, dat verzoeker de gestelde familieband niet nader heeft onderbouwd. Zo heeft verzoeker geen documenten overgelegd welke aantonen dat het gestelde broertje een gezinslid is. Hij kan daarom niet aangemerkt worden als een gezinslid op grond van artikel 2 onder Pro g, van de Dublinverordening. Voor zover verzoeker een beroep doet op artikel 17 van Pro de Dublinverordening heeft de staatssecretaris aangegeven dat de staatssecretaris een verzoek om internationale bescherming onverplicht inhoudelijk in behandeling kan nemen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Het is aan verzoeker om dat aannemelijk te maken. Hij is daar niet in geslaagd.
3. Verzoeker voert in de gronden van beroep op 12 maart 2024 ten aanzien van artikel 10 van Pro de Dublinverordening aan dat uit de relazen van beide broers niet anders kan worden geconcludeerd dat hier sprake moet zijn van een familieband. De relazen van beiden liggen in elkaars verlengde. Voor wat betreft artikel 17 van Pro de Dublinverordening voert verzoeker aan dat niet valt in te zien dat geen sprake zou zijn van onevenredige hardheid, dat de staatssecretaris zijn standpunt niet heeft onderbouwd en dat het beroep nog nader zal worden gemotiveerd.
4. In het verzoekschrift vraagt verzoeker de staatssecretaris te gelasten zich te onthouden van uitzettingshandelingen tot op beroep is beslist. Verzoeker wijst erop dat de minderjarige broer alleen in Nederland achterblijft.
5. De griffier heeft op 22 april 2024 rond 13.30 uur tevergeefs contact gezocht met de gemachtigde van verzoeker met de bedoeling te vragen in hoeverre de gestelde gezinsband nader kan worden onderbouwd.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op het voorgaande geen aanleiding bestaat om een voorziening te treffen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker de gestelde familieband niet nader heeft onderbouwd. De enkele stelling van verzoeker dat uit de relazen van beide broers niet anders kan worden geconcludeerd dat hier sprake moet zijn van een familieband, zonder concreet aan te geven waaruit dat dan zou moeten blijken, acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor een ander oordeel.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.