Eiser heeft op 6 december 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland, die niet in behandeling is genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van de Dublinverordening. Nederland heeft een verzoek tot terugname bij Kroatië ingediend, dat op 13 februari 2024 is aanvaard.
Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer geldt vanwege meldingen van mensenrechtenschendingen door Kroatische grenswachters en zijn persoonlijke ervaringen van pushbacks en mishandeling. Hij stelt dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt en dat Nederland de aanvraag daarom moet behandelen.
De rechtbank volgt dit niet en oordeelt dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om het vermoeden van correcte behandeling in Kroatië te weerleggen. De verwijzingen naar nieuws- en Amnesty-artikelen zijn onvoldoende en zien niet specifiek op Dublinclaimanten. Ook de dwang bij het afnemen van vingerafdrukken rechtvaardigt geen uitzondering op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank stelt dat Kroatië verantwoordelijk is en dat eiser zich bij eventuele problemen moet wenden tot de Kroatische autoriteiten. De discretionaire bevoegdheid van Nederland om de aanvraag toch te behandelen wordt niet toegepast omdat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn aangetoond die overdracht onevenredig hard maken.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.