ECLI:NL:RBDHA:2024:5937
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en binnen vier weken de EU moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het beëindigen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG per 4 maart 2024. Verzoeker heeft op 10 april 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de beroepsprocedure zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen te behouden.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en geoordeeld dat het verzoek kennelijk gegrond is. Dit oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere voorlopige voorzieningen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd bepaald dat de tijdelijke bescherming blijft gelden voor bepaalde vreemdelingen totdat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU zijn beantwoord. De staatssecretaris heeft gemeenten geïnformeerd dat opvang voor andere derdelanders kan worden beëindigd, tenzij een voorlopige voorziening is getroffen.
Gezien de onduidelijkheid over het beëindigen van de tijdelijke bescherming en de rechten van verzoeker, heeft de voorzieningenrechter besloten verzoeker voorlopig te behandelen alsof hij nog onder de Richtlijn 2001/55/EG valt. Dit betekent dat verzoeker niet hoeft te vertrekken, recht heeft op opvang en mag blijven werken totdat op het beroep is beslist. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 875,- voor de rechtsbijstand van verzoeker.
Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig behandeld als onder tijdelijke beschermingsrichtlijn vallend en behoudt opvang en werk tot beslissing op beroep.