ECLI:NL:RBDHA:2024:5938
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening toewijzing tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de EU binnen vier weken moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het vervallen van de tijdelijke bescherming volgens Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 per 4 maart 2024.
Verzoeker heeft op 7 april 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om tijdens de beroepsprocedure zijn tijdelijke bescherming en bijbehorende voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter heeft zonder zitting geoordeeld dat het verzoek kennelijk gegrond is, mede vanwege eerdere voorlopige voorzieningen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de beantwoording van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU afwachten.
De voorzieningenrechter acht het onduidelijk of de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en welke rechten verzoeker nog heeft. Daarom wordt verzoeker voorlopig behandeld als iemand die nog onder de richtlijn valt, met behoud van opvang en werkrecht. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 875,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoeker behoudt voorlopig tijdelijke bescherming, opvang en werkrecht tot beslissing op beroep.