ECLI:NL:RBDHA:2024:5976

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
23 april 2024
Zaaknummer
NL24.14559
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard

De eiser, een Marokkaanse vreemdeling, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 19 november 2023 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is opgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek op 11 april 2024 gesloten zonder zitting.

Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko vanwege het ontbreken van medewerking van de Marokkaanse autoriteiten en onvoldoende voortvarendheid van verweerder. Ook werd aangevoerd dat verweerder onvoldoende actie heeft ondernomen met betrekking tot het verlopen paspoort van eiser.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn dat uitzetting binnen redelijke termijn onmogelijk is en dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door regelmatige rappellering en het voeren van vertrekgesprekken. Het feit dat eiser weigert mee te werken aan het versnellen van het proces speelt hierbij ook een rol.

De ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14559

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 11 april 2024 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1982 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 26 februari 2024.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko. Het rappelleren heeft niet tot enige beweging van de Marokkaanse autoriteiten geleid, en niet valt in te zien waarom zij daar binnen afzienbare tijd wel toe bereid zullen zijn. Daarnaast werkt verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn vertrek. Verweerder laat ten onrechte na om de Marokkaanse autoriteiten te wijzen op het overgelegde verlopen Marokkaanse paspoort. Ook is nog geen presentatie gepland en heeft het verzoek om zijn nationaliteit te bevestigen nog niet tot resultaat geleid. Eiser stelt dat verweerder niet kan volstaan met het versturen van algemene brieven aan het Marokkaanse consulaat in plaats van op zaaksniveau aandacht te vragen voor zijn zaak. Eiser heeft een verlopen paspoort overgelegd dus hoeven er van hem geen aanvullende handelingen verlangd te worden.
5. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het algemeen oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko ontbreekt. [3] Hiervan is ook in de specifieke situatie van eiser geen sprake. Het enkele verstrijken van de tijd sinds het indienen van de lp [4] -aanvraag leidt zonder nadere aanknopingspunten niet op voorhand tot twijfel over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser een lp zullen afgeven. Ook het gegeven dat eisers nationaliteit nog niet is bevestigd, ondanks het overleggen van een verlopen paspoort, leidt niet tot het oordeel dat op voorhand vast kan worden gesteld dat de Marokkaanse autoriteiten zullen weigeren een lp te verstrekken.
6. In de tussentijd heeft verweerder gedaan wat redelijkerwijs verwacht mag worden. Er wordt regelmatig gerappelleerd over de aanvraag en op 22 februari 2024 heeft DT&V [5] een brief overhandigd aan de vertegenwoordiger van het Marokkaanse Consulaat te Amsterdam. Eisers zaak is hierin benoemd als één van de zaken waarin de nationaliteit nog niet is bevestigd. Verder worden vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Uit het meest recente vertrekgesprek blijkt bovendien dat eiser nog altijd weigert mee te werken aan het versnellen van het proces. Dat verweerder beschikt over een verlopen paspoort, betekent niet dat eiser verder niet meer hoeft mee te werken. Uit het dossier blijkt dat de documentatie van eiser is meegezonden met de LP-aanvraag, wat maakt dat de Marokkaanse autoriteiten hier al bekend mee waren. Eiser stelt dan ook ten onrechte dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door de Marokkaanse autoriteiten hier niet nogmaals expliciet op te wijzen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vooralsnog voldoende voortvarend handelt.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:19892), 17 januari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:649) en 28 februari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:2893).
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033).
4.Laissez-passer.
5.Dienst Terugkeer en Vertrek.